Meditaties

UIT VRIJE WIL – GODS RECHT

“Het loon dat de zonde geeft, is de dood” (Rom. 6: 23)

 

De komende tijd wil ik met u graag stilstaan bij de Dordtse Leerregels. Nog altijd een prachtige en actuele belijdenis, die ons wil wapenen tegen duivelse aanvechtingen in allerlei vormen. Ik noem die aanvechtingen duivels, omdat ze ook werkelijk van Satan zijn ingegeven. Wanneer hij wijst op de zwakheid van ons geloof bijvoorbeeld en ons aanklaagt dat we zo toch niet voor God verschijnen kunnen (Zach. 3). Of als hij ons als een engel des lichts meesleept in een eigen roes van enthousiasme, om ons diep te doen vallen wanneer blijkt dat we het leven ‘op grote geloofshoogte’ niet vol kunnen houden. Kortom, als hij op welke wijze ook ons eigen ik centraal stelt en ons onszelf laat terugwerpen op eigen kracht, op eigen inzicht, op eigen overtuiging. Zo zet hij namelijk een wig tussen de band met Christus en wrikt ons levenshuis los van het fundament waarop het gebouwd mag zijn. Geloofszekerheid, volharding, zondebesef en schuldbelijdenis staan niet los van Christus, maar komen naar voren en groeien in diepte en rijkdom alleen waar het geloof blijft rusten in het verzoeningswerk van onze Borg en Zaligmaker.

 

De aanval op deze geloofsvreugde en –zekerheid hebben de vaderen in Dordrecht goed begrepen. De Dordtse Leerregels willen bepaald geen hoogstandje van theologisch kunnen en dogmatisch redeneren zijn. Ze willen ons bij de kinderlijke eenvoud en standvastigheid van het geloof in Jezus bewaren, de enige en volkomen Verlosser van zonden. Daarom begint dit getuigenis met het totale bankroet van de mens. Wie dat niet goed voor ogen heeft en houdt, gaat vroeg of laat vragen stellen die in de richting komen van een rechtszaak tegen God. Vanuit de verkeerde vraagstelling hoe God aan mensen voorbij kan gaan en hoe de HERE – die liefde is – mensen aan de eeuwige ondergang prijs kan geven. Het belangrijkste in deze vragen is de belijdenis dat een mens door de zonde rechteloos geworden is. Hij heeft zich onder de zonde verkocht en is slaaf geworden van de heerschappij die de duivel voert. Door God uit het stof tot leven gebracht, heeft hij zijn Maker en Schepper verloochend en verlaten. Dat leert te zwijgen. Hoe zou het maaksel tegen zijn Maker zeggen; wat doet U (Jes. 29: 16)? De hele wereld is voor God strafwaardig (Rom. 3: 19). Joden dus. Grieken. Romeinen. Tukkers en Saksen. Niemand is rechtvaardig en allen zijn tezamen afgeweken (Ps. 14: 3). Er staan veel teksten in de Schrift die ons met alle klem en overduidelijk te verstaan geven, dat een mens niet moet menen tegen God een rechtszaak aan te kunnen spannen. Integendeel. God opent Zijn rechtsgeding tegen een goddeloze mensheid en een volk dat niet luisteren wil. De mens heeft zichzelf van het leven en God van Zijn schepsel beroofd. Daarom noemt de catechismus ons terecht arme misdadigers. Niet omdat we zielig zijn. Maar omdat we niets hebben om daar verandering in aan te brengen.

 

Gód heeft rechten. God zou God niet zijn, als Hij dat recht zou laten varen. En dus verdienen wij niet anders dan de eeuwige dood. “God zou niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen” zeggen de Dordtse Leerrgels dan ook. Zo begint de belijdenis, Ze zet eerst het recht van God recht. Dat is nodig. Want met een duivelse listigheid wordt dat recht betwist, betwijfeld en ontkend. Alsof er nog enig goeds in de mens zou zijn. Integendeel. “Ik nader U, het hoofd gebogen, Gij kunt o Heer, geen kwaad gedogen; ga met Uw knecht niet in ’t gericht. Doe hem niet weg van voor uw ogen; wie is rechtvaardig in Uw licht?” Als God dat gebed verhoort, doet Hij dat uit vrije wil. Niet omdat Hij ergens aan gebonden is of iets verplicht zou zijn. Dat maakt het eerste artikel van DL I meteen al duidelijk.

 

UIT VRIJE WIL – GODS RECHT

“Het loon dat de zonde geeft, is de dood” (Rom. 6: 23)

 

De komende tijd wil ik met u graag stilstaan bij de Dordtse Leerregels. Nog altijd een prachtige en actuele belijdenis, die ons wil wapenen tegen duivelse aanvechtingen in allerlei vormen. Ik noem die aanvechtingen duivels, omdat ze ook werkelijk van Satan zijn ingegeven. Wanneer hij wijst op de zwakheid van ons geloof bijvoorbeeld en ons aanklaagt dat we zo toch niet voor God verschijnen kunnen (Zach. 3). Of als hij ons als een engel des lichts meesleept in een eigen roes van enthousiasme, om ons diep te doen vallen wanneer blijkt dat we het leven ‘op grote geloofshoogte’ niet vol kunnen houden. Kortom, als hij op welke wijze ook ons eigen ik centraal stelt en ons onszelf laat terugwerpen op eigen kracht, op eigen inzicht, op eigen overtuiging. Zo zet hij namelijk een wig tussen de band met Christus en wrikt ons levenshuis los van het fundament waarop het gebouwd mag zijn. Geloofszekerheid, volharding, zondebesef en schuldbelijdenis staan niet los van Christus, maar komen naar voren en groeien in diepte en rijkdom alleen waar het geloof blijft rusten in het verzoeningswerk van onze Borg en Zaligmaker.

 

De aanval op deze geloofsvreugde en –zekerheid hebben de vaderen in Dordrecht goed begrepen. De Dordtse Leerregels willen bepaald geen hoogstandje van theologisch kunnen en dogmatisch redeneren zijn. Ze willen ons bij de kinderlijke eenvoud en standvastigheid van het geloof in Jezus bewaren, de enige en volkomen Verlosser van zonden. Daarom begint dit getuigenis met het totale bankroet van de mens. Wie dat niet goed voor ogen heeft en houdt, gaat vroeg of laat vragen stellen die in de richting komen van een rechtszaak tegen God. Vanuit de verkeerde vraagstelling hoe God aan mensen voorbij kan gaan en hoe de HERE – die liefde is – mensen aan de eeuwige ondergang prijs kan geven. Het belangrijkste in deze vragen is de belijdenis dat een mens door de zonde rechteloos geworden is. Hij heeft zich onder de zonde verkocht en is slaaf geworden van de heerschappij die de duivel voert. Door God uit het stof tot leven gebracht, heeft hij zijn Maker en Schepper verloochend en verlaten. Dat leert te zwijgen. Hoe zou het maaksel tegen zijn Maker zeggen; wat doet U (Jes. 29: 16)? De hele wereld is voor God strafwaardig (Rom. 3: 19). Joden dus. Grieken. Romeinen. Tukkers en Saksen. Niemand is rechtvaardig en allen zijn tezamen afgeweken (Ps. 14: 3). Er staan veel teksten in de Schrift die ons met alle klem en overduidelijk te verstaan geven, dat een mens niet moet menen tegen God een rechtszaak aan te kunnen spannen. Integendeel. God opent Zijn rechtsgeding tegen een goddeloze mensheid en een volk dat niet luisteren wil. De mens heeft zichzelf van het leven en God van Zijn schepsel beroofd. Daarom noemt de catechismus ons terecht arme misdadigers. Niet omdat we zielig zijn. Maar omdat we niets hebben om daar verandering in aan te brengen.

 

Gód heeft rechten. God zou God niet zijn, als Hij dat recht zou laten varen. En dus verdienen wij niet anders dan de eeuwige dood. “God zou niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen” zeggen de Dordtse Leerrgels dan ook. Zo begint de belijdenis, Ze zet eerst het recht van God recht. Dat is nodig. Want met een duivelse listigheid wordt dat recht betwist, betwijfeld en ontkend. Alsof er nog enig goeds in de mens zou zijn. Integendeel. “Ik nader U, het hoofd gebogen, Gij kunt o Heer, geen kwaad gedogen; ga met Uw knecht niet in ’t gericht. Doe hem niet weg van voor uw ogen; wie is rechtvaardig in Uw licht?” Als God dat gebed verhoort, doet Hij dat uit vrije wil. Niet omdat Hij ergens aan gebonden is of iets verplicht zou zijn. Dat maakt het eerste artikel van DL I meteen al duidelijk.

 

---

UIT VRIJE WIL – GODS LIEFDE (1)

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. (1Joh. 4: 9)

 

 

Artikel twee van het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels kunnen we niet lezen zonder artikel één. Het eerste woordje geeft immers een tegenstelling aan: máár..! In dat woordje opent zich de weg naar het volkomen herstel. We hebben alles verbeurd en zijn ter dood schuldig. God zou geen onrecht gedaan hebben als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking en zonde over te laten en vanwege de zonde te veroordelen – maar..! In dat woordje ‘maar’ opent zich de deur van de dodencel en stroomt het licht naar binnen met de boodschap: u is gratie verleent door de Koning omdat zijn Zoon uw schuld en straf betaalt. En bij Golgotha zie ik dat evangelie werkelijkheid worden. Mijn zonden, mijn striemen, mijn vervloeking, mijn straf, mijn dood, mijn veroordeling worden daar weggeslagen door de handen van Hem die zich aan het ruwhouten kruis uitstrekt: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?”

 

Eén van de meest beledigende en onterende reacties die een mens bij het horen van die boodschap aan kan horen is, dat hij zijn schouders recht en zelfbewust het daglicht inloopt. Enigszins opgelucht dat hij aan de dood ontsnapt is. Maar vooral overtuigd dat zijn veroordeling en doodvonnis vanaf het begin gebaseerd moet zijn geweest op een misverstand – ja zelfs met een zekere trots en allure omdat hij als onderkoning der schepping toch een betere behandeling verdiend had. Zo’n houding komt dicht in de buurt van de overtuiging dat de mens tegen wil en dank door de zonde is gekerkerd. Zoals Lot door de koningen van het Oosten werd vastgehouden maar door zijn machtiger oom bevrijd werd (Gen. 14), zo worden zondaren terecht (!) door hun Bondgenoot voor een slavenbestaan bewaard en in hun oorspronkelijke positie teruggevoerd. Wie die gedachte koestert, maakt van zondaren slachtoffers die misleid zijn en met valse voorwendsels tegen hun bedoeling in gevangen zijn genomen. Daar wachten ze nu op de komst van een Verlosser, die hen genoegdoening zal geven. Hij is daartoe verplicht vanwege Zijn beloften. Ja - Hij is het de mens schuldig..

Het is die houding, die de HERE voortdurend bij Zijn volk Israël aantreft. Zij meten zich een waardigheid aan, die ze niet hebben. Ze lopen met hun hoofd rechtop en zijn zich van geen kwaad bewust. Ze spelen de onschuld. Daarom herinnert de HERE hen ook steeds weer aan de begintijd. Aan de periode dat het samenleven ‘geboren’ werd (bijv. Ezech. 16). Weggeworpen, alleen gelaten en bestemd om te sterven. Zo heeft Hij het volk aangetroffen. Dat is niets anders dan wat Paulus later aan de gemeente te Efeze mag schrijven (EF. 2): “U, die dood was door de vele overtredingen”. Hoe diep de zonde is doorgedrongen en het hart verdorven is, blijkt uit alle vroegere en tegenwoordige pogingen tot zelfrechtvaardiging. Er is maar één plaats waar de mens dat afleert: aan de voet van Golgotha. Het is daarom zo te prijzen dat Dordt niet anders doet dan het citeren van twee teksten. Ter dood schuldig – máár: kijk eens bij 1 Johannes 4 en Johannes 3. Zíen wij dat?

---

UIT VRIJE WIL – GODS LIEFDE (2)

Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. (1Joh. 4: 9)

 

De Dordtse Leerregels belijden met een ontroerende eenvoud dat God – hoewel Hij dat aan niemand schuldig is te doen – uit het gevallen menselijk geslacht nog een zeker en vast aantal mensen van de eeuwige ondergang wil redden. Er staan twee teksten in artikel 2 van hoofdstuk 1. Er wordt niet gediscussieerd en er worden geen dogmatische verhandelingen gehouden. Het Woord wordt nagesproken. Eenvoudig en letterlijk. Voor iedereen te volgen en na te zeggen. Misschien van zo’n eenvoud, dat we ons verwonderen. Want het thema waar de belijdenis zich mee bezig wil houden is niet zo gemakkelijk. Het spreken ‘van de goddelijke verkiezing en verwerping’ blijkt ook later voor ons z’n beperkingen en grenzen te kennen, die we moeten eerbiedigen. We hadden daarom wellicht verwacht, vanaf het begin voor onpeilbare en onbegrijpelijke diepten te zullen staan. Maar dit is kinderlijke geloofstaal, die iedereen kan verstaan. Zo bekend, dat deze notities haast overbodig lijken.

 

Is dat zo? Voor we ons verdiepen in de eeuwige raadsbesluiten van een almachtig God en op de tenen moeten lopen omdat deze geloofsstukken te hoog voor ons gaan, leggen de Dordtse Leerregels als het ware een herkenbare bodem waar we mettertijd altijd weer naar terug kunnen keren. Voor we ons zouden verliezen in allerlei bespiegelingen en beschouwingen wordt eerst de vaste en zekere waarheid van Gods verkiezende liefde beleden. Dat is bepaald geen onnodige herhaling zou ik zeggen. Want juist die liefde wordt in ons theologiseren en in de praktijk van het geloofsleven en –beleven maar al te gauw uit het oog verloren. Evenals de onwaardigheid van ons als mensen. Dan gaan we al gauw spreken in termen van ‘verdienste’ van ‘recht’ en van ‘eigen wil’. Maar dat is uiteindelijk alleen maar gegrond in de behoefte onszelf te handhaven. Meteen aan het begin al noteren de Dordtse Leerregels daarom dat we over de verkiezing alleen maar kunnen spreken onder de koepel van Gods verkiezende liefde, die zondaren rechtvaardigt door het geloof in Jezus Christus. Alleen zo namelijk leer je de blijdschap kennen over het wonder dat God je niet voorbijgegaan is, maar je heeft opgeraapt en in Christus een plek heeft gegeven (Ez. 16; Ef. 2).

 

Bij de start zetten de Dordtse Leerregels ons in de juiste houding: diep gebogen en in gespannen afwachting van wat er zal klínken. Voordat we het mogen hebben over vragen die je bestaan zo diep kunnen raken – vragen die in je hart spelen en te maken hebben met de zekerheid van je heil, met de oorsprong van goed en kwaad, met je volharding en je geloof – worden de basistonen neergeschreven. Het leerstuk van de verkiezing en verwerping grondt niet in de mens en zijn wil. Maar de oorsprong en de uitvoering is van de HERE. In Zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid heeft Hij besloten niet állen onder het oordeel te brengen, maar uit het menselijk geslacht een deel af te zonderen en aan Christus te geven. God hoefde dat niet te doen. Hij was het niemand verschuldigd en verplicht. De mens is geen slachtoffer van een kwaad dat over hem gekomen is, maar schuldig aan moedwillige ongehoorzaamheid. En toch is er uitzicht. Want  “in liefde heeft Hij tevoren ons ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil” (Ef. 1: 5). Alle roem is uitgesloten. ‘k Roem uit vrije gunst alleen!

 

---

UIT VRIJE WIL – GODS ROEP (1)

“Want hoe zullen zij geloven in Hem van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn?” (Rom. 10: 14-15)

 

 

Als we spreken over de vrije wil, dan hebben we het over de wil van de HERE. Niet over de wil van ons als mensen. Dat is, wat de Dordtse Leerregels in de openingsartikelen willen benadrukken. Daarmee zet de belijdenis aan het begin al een streep door de dwaling van de Remonstranten en hun Arminiaanse leer. Deze Arminius brak op hoofdpunten met de leer van Calvijn.

 

Jacobus Arminius werd in 1603 hoogleraar in Leiden, na zijn studies in Marburg, Leiden, Genève en Basel. In Leiden kwam het tot een conflict over de leer van de eeuwige verkiezing, met zijn collega Gomarus. Na de dood van Arminius werden zijn gedachten door leerlingen verder uitgewerkt. Dit leidde tot een ‘protest’ of ‘remonstrantie’ tegen de predestinatieleer van Calvijn. Tegen de vijf artikelen van dit protest zijn de Dordtse Leerregels opgesteld. Vandaar dat we deze belijdenis ook wel de “Vijf artikelen tegen de Remonstranten’ noemen.

 

Naast de tekst van de belijdenis, vinden we achter elk hoofdstuk als een soort bijlage de weergave van de Remonstrantie, waarop steeds de verwerping daarvan volgt. Om duidelijk voor ogen te hebben, waar de Dordtse Leerregels zich in het begin van het eerste hoofdstuk tegen richten, is het goed de tekst van één van de artikelen van de Remonstrantie te lezen:

 

“Bij de uitverkiezing tot geloof moet de mens eerst aan de volgende voorwaarden voldoen: hij moet het licht der natuur goed gebruiken;  hij moet vroom, ootmoedig en nederig zijn en geschikt voor het eeuwige leven” (Verwerping der Dwalingen, artikel 4. Voortaan geef ik deze weer met; VdD)

 

De mens moet volgens de Remonstranten dus aan bepaalde voorwaarden voldoen om uitverkoren te worden. Er moet iets in hem of haar zelf zijn, dat de HERE doet besluiten om juist deze mens uit te kiezen, in plaats van anderen. De Dordtse Leerregels geven als commentaar dat deze leer “bedenkelijk veel op die van Pelagius” lijkt. Hier is van wat de HERE ons leert in Efeziërs 2: 3-9 weinig meer over: “want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf”! Het mist de ootmoed van Psalm 143: 2: “ga niet in het gericht met Uw knecht, want niemand die leeft, is voor U rechtvaardig”. De belijdenis wil er daarom niets van weten. Want de Schrift leert anders. Alles is van God. Er is niets van of uit de mens, die niet anders verdient dan de eeuwige dood. Alleen Gods barmhartigheid is oorzaak voor het behoud van de mens. God verkiest uit vrije wil. Zoals Hij ook uit vrije wil en naar Zijn vrije genade roept en tot behoud brengt.

 

Dat is artikel 3 van hoofdstuk één. Van die liefde van God moeten mensen gaan horen. Het licht van de natuur kan de mens niet meer helpen. Want het “is duister geworden in zijn onverstandig hart” (Rom. 1: 21). Het moet ons verteld worden. Meer nog, we moeten er door overtuigd worden. Want we verzetten ons tegen die liefde, omdat we niet buigen willen. Daarom moet de Geest onze wil buigen, tot ze het verzet opgeeft en zich laat leiden door wat Jezus Christus wil doen. Het besluit van de HERE om mensen te redden, moet een lange weg afleggen. De weg van Romeinen 10: 14-15 (zie boven), waarin de genade groots schittert in het gezonden zijn. Daar begint het.

 

“schenk levend water uit uw bron

Dat helder toe komt stromen,

Laat blinkend als de zomerzon

Uw boodschap tot ons komen.”

(L.L. Bouwers)

 

 

---

UIT VRIJE WIL – GODS ROEP (2)

 

Hij heeft Jakob zijn woorden bekend gemaakt, Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, En zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja. ( Ps. 147: 20)

 

Het ‘halleluja’ van Psalm 147 staat op ’t eerste horen op een wat merkwaardige plaats. Maar bij wat langer overdenken wordt de bedoeling wel duidelijk. De Psalmist prijst zijn God, niet omdat andere volken Hem niet kennen, maar omdat Israël Hem wel mag kennen. Tussen alle volken en naties in, heeft Israël het voorrecht ontvangen Gods woorden en wetten te mogen horen. Gods genade wordt alleen al zichtbaar in de manier waarop het evangelie door de wereld gaat: eerst de Jood, maar ook de Griek. De Koning zendt zijn dienaren naar de kruispunten der wegen, om allen te nodigen die ze aantroffen (Mt. 22: 9). De Here Jezus geeft bevel om alle volken tot zijn discipelen te maken (Mt. 28: 18). Dat betekent niet, dat de apostelen willekeurig optreden. De Heilige Geest verhindert bijvoorbeeld het woord in Asia te spreken (Hnd. 16: 7) en de Geest van Jezus liet hen niet toe naar Bitynië te reizen (Hnd. 16: 7). Het is, zoals de Dordtse Leerregels zeggen: God zendt in zijn goedheid verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil.

 

Zoals de Remonstranten meenden, dat de mens aan bepaalde voorwaarden moet voldoen om uitverkoren te worden,  meenden ze ook, dat volken en landen aan voorwaarden moesten voldoen om het evangelie te horen. In de VdD I,9 lezen we: “De reden waarom God het evangelie liever aan het ene volk dan aan het andere laat verkondigen, moet niet enkel en alleen in het welbehagen van God gezocht worden, maar daarin, dat het ene volk beter is en meer recht heeft op Gods liefde dan het andere volk waaraan het evangelie niet wordt bekendgemaakt.” (curs. van rvdw)

 

Wat een hoogmoed! Alsof onze voorouders niet door Gods genade van in beestenvellen geklede barbaren tot christenen zijn bekeerd. Wij waren zo ‘beschaafd’ dat de eerste de beste monnik die ons van Jezus Christus vertelde bij Dokkum het leven moest laten! We kennen toch allemaal de geschiedenis van Bonifatius wel – de Ierse monnik? God laat de boodschap van redding brengen aan wie Hij wil en wanneer Hij wil. Zo heeft Europa achter de hoge rug van de Alpen gelegen, tot God het tijd vond om de Germanen uit hun donker tot het licht te leiden. Zo is China aan het Boeddhisme overgeleverd geweest, tot ook daar het evangelie mocht klinken dat de mens zichzelf niet kan verlossen. Dat is alles naar Gods eigen vrije wil.

 

Er zit een geweldig gevaar in de trotse gedachte van het Remonstrantisme. Een gevaar, dat ook niet aan Israël voorbij is gegaan, terwijl de kerk van vandaag er net zo goed mee te maken heeft. Het gevaar namelijk, dat we God ‘binnen’ hebben. Dat Hij zich aan ons verplicht zou hebben. Het gevaar dus ook, dat we de genade uit het oog verliezen en we ons onze rijkdom niet meer bewust zijn. Dan worden we lauw, oppervlakkig, onverschillig en zelfs brutaal. Dan gedragen we ons erfgenamen, die recht hebben op wat ons ‘toekomt’, omdat we vergeten zijn dat het ons ‘toevalt’. Ik huiver soms, als ik de foto’s zie van ruïnes als van Efeze, Pergamum, Smyrna en Sardes. Daar is het evangelie gepreekt en daar bloeide de eerste liefde op voor Jezus Christus. Nu zijn het versteende monumenten. Waar is het licht van de kandelaar gebleven? Als ik kerken dichtgetimmerd zie worden en tot musea ingericht, dan komen me soms die ‘antieke’ gemeentes voor ogen. De Here Jezus kan de kandelaar ook wegnemen en het Woord weghouden (Amos 8).

 

Intussen blijft de vreugde over de weg die een verkiezend God met het evangelie gaat, waarbij ook ik mag horen van genade door het bloed van Jezus Christus. God roept. Uit de duisternis roept Hij naar het licht toe. Van de vervreemding roept Hij terug naar het Vaderland. Een roep, die zo krachtig is dat ze uit het dode hout nieuw leven geeft., zoals in de lente uit de zwarte aarde jong groen tevoorschijn komt. Het is zoals de Psalm zegt: “Zendt Gij uw Geest uit, zij worden geschapen en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem!” (Ps. 104: 30)

 

DE GAVE VAN HET GELOOF – middel (1)

 

Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem (Joh. 3: 36)

 

Alle mensen hebben in Adam gezondigd en God had dan ook niemand onrecht gedaan als Hij alle mensen in hun ellende had gelaten.  Maar God heeft Zijn Zoon gezonden. Ieder die in deze Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Dat mag verkondigd worden, wanneer God en aan wie God dat wil laten horen. Dat is in het kort de inhoud van de eerste drie artikelen uit het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels. Een bekend thema voor wie de Heidelbergse Catechismus kent. Want in de Zondagen 5 tot en met 7 wordt in feite hetzelfde gezegd. Omdat aan de straf moet worden voldaan en voor de schuld betaald moet worden, heeft God zijn Zoon gezonden (Zondag 5 en 6). Niet ieder krijgt in Christus het heil terug. Maar “alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen” (Zondag 7).

Hoewel het dus niet voor het eerst is, dat de kerk zich over deze onderwerpen uitspreekt en de bijbel nazegt, hebben de Dordtse Leerregels natuurlijk wel een ander doel dan de Heidelbergse Catechismus. Zij willen de dwaling van de ‘menselijke vrije wil’ op een Schriftuurlijke manier ontmaskeren en weerleggen. Een mens kan niet voor het behoud kiezen. Een mens kiest, omdat hij ís gekozen. Ook als hij ja en amen op de preek zegt. Als de mens de verkondiging van het evangelie aanneemt en Christus als zijn Verlosser gaat volgen. Dan komt dat omdat hij gekozen is. Omdat de Heilige Geest hem daartoe dwingt. Omdat de Heilige Geest zijn hart zacht en ontvankelijk maakt en de trotse en onbuigzame wil van de mens breekt en aan het evangelie onderwerpt. Dat is het onderwerp dat in het eerste hoofdstuk vooral aan de orde komt.

God laat de verlossing verkondigen. Zonder onderscheid wordt het evangelie gepreekt. Jezus Christus wordt aan de wereld geopenbaard met de uitnodiging om Hem aan te nemen. Hij is de weg die de HERE heeft gegeven naar het volkomen herstel. Naar de vrede met God. Dat is de preek: Jezus Christus en die gekruisigd verkondigen. En dat is vervolgens ook wat de preek wil doen: ons overtuigen dat we onszelf op moeten geven en ons eigen wereldje los moeten laten. Dat we trots, haat, zonden, onwil, onmacht, zelfhandhaving etc. etc. aan de voet van het kruis moeten neerleggen en ons leven onder Zijn gezag moeten brengen. “Zegt U het maar, Here Jezus” – “doet U maar wat U wilt doen”. Dat is het ‘breekpunt’ dat onder de verkondiging altijd weer plaats moet vinden. Dat wij het verzet opgeven. Dat we inzien niet buiten de verlossing te kunnen. Dat we de ernst van onze zonden en de schuldenlast gaan begrijpen en de uitweg willen gaan, die de HERE ons laat verkondigen. Zoals Paulus het zegt:  “Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen.” (2 Kor. 5: 20). Daarom kan hij in het tweede hoofdstuk van dezelfde brief schrijven: “want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan;  voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven.” (2 Kor. 2: 15-16). De prediking zet mij – als bediening der verzoening – altijd weer voor de allesbepalende vraag of ik in de Zoon geloof. Want alleen dat bevrijdt van het oordeel.

 

 

 

DE GAVE VAN HET GELOOF – middel (2)

 

Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem (Joh. 3: 36)

 

 

De prediking zet mij – als bediening der verzoening – altijd weer voor de allesbepalende vraag of ik in de Zoon geloof. Want alleen dat bevrijdt van het oordeel. Zo sloten we de vorige keer af. Dat is de inhoud namelijk van artikel 4 uit het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels: “Op hen die dit evangelie niet geloven, blijft de toorn van God. Maar zij die het aannemen en de Verlosser Jezus met een echt en levend geloof omhelzen, worden door Hem van de toorn van God en van de ondergang verlost, en zij ontvangen door Hem het eeuwige leven”.

 

Let even op de manier waarop de Dordtse Leerregels het verwoorden. De belijdenis spreekt onbekommerd van “het evangelie aannemen” en “Jezus Christus omhelzen”. Wij schrikken daar in onze tijd als gereformeerden misschien wat voor terug. Want het evangelische gedachtegoed weerhoudt ons ervan in woorden te spreken die de indruk zouden kunnen wekken dat we het als mensen zelf kunnen doen. Dat wij Jezus Christus moeten toelaten in ons leven. Dat moet je van God gegeven zijn, zeggen we dan. En zo is het ook wel. Maar de arminiaanse dwaling die achter woorden als ‘aannemen’ en ‘omhelzen’ kan zitten kenden de Dordtse vaderen ook gerust. Juist daartegen keren deze vijf hoofdstukken zich. En toch spreken de Leerregels deze taal. Geheel naar de Schriften, overigens. Want we lezen in Johannes 1: 11-13: “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven”. En in 1 Tessalonicenzen 2: 13 staat: “En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen”. Paulus dankt God. Natuurlijk. Want de HERE is het die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt (Fil. 2: 13). Maar dat betekent niet dat alle activiteit in ons als mensen is uitgesloten. Het verkondigde woord moet worden aangenomen en toegeëigend. Het moet een deel van onszelf worden – ja het moet onze gedachten overmeesteren en zo doordringen dat het ons verandert en vernieuwt. Het moet bruisen – zodat uit de bron levend water overvloedig kan stromen. Zo draagt het geloof vruchten en wordt uit geloof tot geloof het evangelie als een kracht Gods tot behoud ervaren en geprezen.

 

Misschien hebben we al te lang vanwege onze kennis van allerlei dwalingen de gedachten gekoesterd dat de HERE het geloof moet werken en dat wij er dus zo’n ernst niet mee hoeven te maken. De HERE leert ons in Zijn Woord die gedachten meteen weer af. Als God het hart opent, komt er aandacht voor het gepredikte Woord. Dan komt er honger en verlangen om de HERE meer en beter te leren kennen. Dan komt er een zucht naar geloofsgroei. Dan komt er ernst tot bekering en een daadwerkelijke strijd tegen zonden, die het leven met de HERE in de weg staan. De gave van het geloof leidt niet tot passieve christenen, die de HERE in hun leven nooit hebben zien of voelen werken. Integendeel. De gave van het geloof mondt uit in een vurige liefde tot Jezus Christus en een vaste hoop op het erfdeel dat voor de gelovigen is weggelegd: eeuwig leven in tegenwoordigheid van God Zelf. Vandaar de oproep in Psalm 2: ‘kust dan de Zoon”. En vandaar ook de dringende waarschuwing in Johannes 3: 36; “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien”. Geloven is doen. Doen namelijk, wat ons gezegd wordt. Wie daar in ernst mee bezig is weet, dat geloven daarom ook veel strijd met zich meebrengt. Vooral met onszelf.

 

DE GAVE VAN HET GELOOF – genade (1)

 

 

“U dan die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovige geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn.” (1 Petr. 2: 7-8)

 

De gave van het geloof is het middel om de Here Jezus Christus aan te nemen en te omhelzen, zo zagen we de vorige keer. Geloven is geen doel op zichzelf. Het is het einde niet, alsof de mens maar moet kunnen zeggen: ik geloof. Het is het begin van een levende en vertrouwelijke omgang met de HERE door Jezus Christus. Het begin ook van wat vaak als een geweldige strijd wordt ervaren om vol te houden en de blik op Jezus Christus te houden (Hebr. 12: 2-3).  Dat komt vooral aan de orde in het vijfde hoofdstuk, als we mogen spreken over de leer van de volharding. Hier, in hoofdstuk 1 gaat het in hoofdzaak om de vraag hoe het nu komt, dat de één de Here Jezus inderdaad aanneemt, terwijl de ander Hem verwerpt. Waarom de één zich niet geraakt voelt onder de prediking van het evangelie, terwijl het hart van een ander daar helemaal vervuld van kan zijn. Wat de één beweegt om zich onder tranen bij de Here Jezus neer te buigen en om vergeving te smeken, terwijl een ander zich geërgerd afkeert.

Om bij dat laatste te beginnen: als we van artikel 1 uitgaan, namelijk dat alle mensen voor God doemwaardig zijn, dan is de reactie van het ongeloof de reactie van de natuurlijke mens. Van de gevallen zondaar die van God niet weten wil. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één, zeggen de Psalmen (14 en 53). En met Jeremia moeten we het meezeggen: arglistig is het hart, ja verderfelijk is het (Jer. 17: 9). Ongeloof is de reactie die we bij iedereen kunnen verwachten. Het is veeleer verrassend dat er geloof gevonden wordt, dan dat mensen zich aan het Woord stoten. Van dat ongeloof is God dus ook de schuld niet, zeggen de Dordtse Leerregels in artikel 5 terecht. De schuld van het ongeloof ligt bij de mens zelf. Want ‘allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods” (Rom. 3: 23). Er is geen enkele verontschuldiging mogelijk (Rom. 1: 20). De mens heeft een hart van steen (Ezech. 36: 21), waar de boodschap van zelfverloochening, van overgave en liefde, van klein worden en ontzag tonen, van gehoorzaamheid en onderwerping op afketst. Want de mens laat geen koning in zijn leven toe dan zichzelf. Zelfs in de dag van het oordeel zal de ongelovige van geen berouw weten (Lukas 16). Er moet dus wel een wonder gebeuren, wil dat harde hart veranderen!

Laten we daarom een andere vraag stellen. Hoe is het mogelijk dat er mensen zijn die weten te buigen en schuld weten te belijden. Waarom zijn er mensen die door de knieën gaan en op de knieën gaan om hun leven bij Christus te verliezen? Hoe komt het dat mensen zich overgeven en zich laten leiden, hun eigen wil verloochenen en dienstbaar worden? Dat kan niet van de mens zelf afkomen. Dat is een wonder dat van buiten de mens in de mens tot stand wordt gebracht. Een kracht, die het harde hart aan stukken scheurt, die de muren om de trots heen afbreekt en die de weg opent van geloof en berouw. Het geloof is een genadegave van God. Een gave, die Hij niemand verschuldigd is en aan niemand verplicht is. Een gave die louter en alleen aan Zijn goedheid en liefde te danken is. Wat is het toch in ons mensen, dat we zelfs in de genadeleer van de uitverkiezing de HERE soms vooral verwijten dat er een verwerping is. Dat Hij mensen voorbijgaat. Terwijl we nauwelijks beseffen welk wonder het is dat Hij voor ons is stil blijven staan, ons heeft aangeroepen en gezegd heeft: met u wil Ik verder. Met dat Woord valt het levenslicht onze dodencel binnen!

 

DE GAVE VAN HET GELOOF – genade (2)

 

“U dan die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovige geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn.” (1 Petr. 2: 7-8)

 

“Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn.” Dat onderscheid is een te ervaren onderscheid, omdat hier op aarde twee soorten mensen zijn: gelovigen en ongelovigen. We zagen al, dat van dat ongeloof de HERE niet de oorzaak of de schuld is. Dat komt op rekening van de mens zelf. Terwijl geloof een ‘onwederstandelijke genade’ is, die de Heilige Geest in ons hart uitwerkt. En daar staan we aan de grens van wat wij als mensen begrijpen kunnen en onderzoeken mogen. Want de volgende vraag zou zijn, waarom de HERE in Zijn liefde besloten heeft toch nog mensen uit het hele verdorven menselijke geslacht te redden en bij Zich te brengen. Maar dat is een vraag, die zich richt op wat de HERE in Zijn eeuwige raad heeft besloten en aan Zichzelf heeft gehouden. Om het wat duidelijker te zeggen: de HERE hoeft ons geen verantwoording van Zijn besluiten en wil te geven. Terwijl we dus heel goed kunnen begrijpen waarom de HERE in de ellende laat, omdat de mens de liefde van de HERE verloochend en Zijn trouw verraden heeft, is het wonder van Zijn genade en barmhartigheid iets, waar je als mens niet uitkomt. Dat kan een mens alleen verwonderd naspreken en dankbaar aanvaarden. Dat zal de mens ook tot die kinderlijke lof brengen op een God die liefde is. Het is alles uit Hem en door Hem en tot Hem!

Vergelijk dat eens met wat de Remonstranten of Arminianen leerden: “God wil de mensen redden die tot geloof zullen komen en zullen volharden in dat geloof en de gehoorzaamheid van het geloof” (VdD I, 1). Wat hier staat is niet anders, dan dat God mensen redt die er voor kiezen en ervoor blijven kiezen om gered te worden. Zo wordt dat ook verder uitgelegd: “Bij de uitverkiezing tot geloof moet de mens eerst aan de volgende voorwaarden voldoen: hij moet het licht der natuur goed gebruiken;  hij moet vroom, ootmoedig en nederig zijn en geschikt voor het eeuwige leven.” (VdD I, 4). Dat is krasse en onschriftuurlijke taal. In Psalm 14: 3 lezen we namelijk over de mens: “allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard” (vgl. Mal. 3: 7; Rom. 3: 12). Het doet vooral ook tekort aan de autonome en soevereine liefde van een verkiezend God, die helemaal uit Eigen wil besloten heeft om mensen, ondanks hun zonde en verlorenheid, tot verlossing te brengen. De Dordtse Leerregels geven dan ook terecht als antwoord, dat deze leer van de Remonstranten ‘bedenkelijk veel op die van Pelagius lijkt’ en ‘in strijd is met de leer van de apostel’ (Ef. 2: 3-9). God is niet verplicht om te redden, alsof er nog mensen zijn die daar aanspraak op kunnen maken en iets in zich hebben dat voor God bestaan kan. God redt verloren zondaren, enkel en alleen omdat Hij dat besloten heeft en vanwege het bloed van Jezus Christus.

We staan hier voor een wonder, waar we niet over uitgedacht en uitgezongen kunnen raken. Een wonder, waarbij de mens niet anders overblijft dan deze God te bejubelen en te verheerlijken, omdat Hij aan zondaren onverdiend het leven geeft. U kent vast wel het bekende lied ‘amazing grace’ van John Newton. Deze man was slavenhandelaar en heeft een buitengewoon goddeloos leven geleid, tot hij door Jezus Christus werd gegrepen en bekeerd werd. Wij kennen het lied vooral in de vertaling van Jacqueline van der Waals:

 

Genade, zo oneindig groot,

Dat ik, die ’t niet verdien,

Het leven vond, want ik was dood,

‘k was blind, maar nu kan ‘k zien!

 

 

DE GAVE VAN HET GELOOF – troost (1)

 

“Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des HEREN; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof” (Hand. 13: 48)

 

De tekst hierboven staat in de kantlijn van DL I, art. 6. Met hoofdstuk 13 zijn we in Antiochië, waar Paulus en de zijnen het evangelie mochten brengen. Zoals gewoonlijk begonnen zij bij de synagoge, omdat ook op die plek een grote gemeente van Joden was. Zij mochten allereerst de boodschap van Jezus Christus horen. Want van oudsher waren zij lid van het volk dat het voorrecht mocht kennen Gods geboden en verordeningen te horen (Psalm 147). Zo werd het evangelie eerst aan de Joden verkondigd (Rom. 1: 16; 2: 10). Met bevel tot berouw en bekering tot geloof in de Zoon.

Des te meer treft dan de reactie op deze prediking. Want de Joden verstootten de boodschap en lasterden de boodschappers (Hnd. 13: 45). Zij verwierpen de Here Jezus als Zaligmaker en ergerden zich aan de verkondiging van het evangelie van Christus en die gekruisigd. In de lijn van wat we de vorige keer hebben mogen opmerken, heeft dit ongeloof geen enkele oorzaak in de HERE. Hij gaat de Joden in Zijn verkondiging niet voorbij, maar spreekt hen onder alle volken steeds als eerste aan. Zij verwerpen het evangelie en zij keren zich af van de uitnodiging die tot hen komt. Daarom zeggen Paulus en Barnabas ook vrijmoedig: “Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. Want zo heeft de HERE ons geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde” (Hnd. 13: 46).  En dan volgt de tekst, zoals we hierboven kunnen lezen.

Heeft de HERE de Joden dus verworpen? Nee – de Joden hebben Hem verworpen door het evangelie van de Zoon niet te aanvaarden en te gehoorzamen. Dat is het eerste dat we hieruit op kunnen maken. En het tweede is, dat de HERE geloof schenkt aan wie Hij wil. Er is niet iets in de mens zelf, waardoor God zou besluiten om de één geloof te schenken en het een ander te onthouden. De gave van het geloof heeft de HERE aan zichzelf gehouden. Hij is de Oorzaak en de Bewerker. En Hij voert Zijn besluit in de tijd uit, zoals Hij dat van eeuwigheid al heeft vastgesteld (Hnd. 15: 18; Ef. 1: 11). Niet onze afkomst, onze kerkkeus, ons levensgedrag en onze levensstijl of iets anders is het, waarop we zouden kunnen roemen bij God. Het is en blijft een leven uit genade alleen. En wie roemt, roeme in de HERE (1 Kor. 1: 31).

Waarom is dat troost? Omdat het niet van u of mij afhangt of mensen gaan geloven. Omdat kinderen niet tot Jezus Christus gaan, als we maar de juiste opvoeding hanteren of het goede appèl op hen doen. Het is niet afhankelijk van onze wijsheid of ouders tot geloof komen en het hangt niet van de methodiek af of er amen op de preek wordt gezegd. “Overeenkomstig dat besluit vermurwt God in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven” zeggen de Dordtse Leerregels dan ook in artikel 6.  Dat is het ‘onwederstandelijke’ van de genade. Een mens kan er zich uiteindelijk niet tegen verzetten en moet zich overgeven. Het doet me denken aan een gesprek met iemand die me ronduit verklaarde dat “God hem te machtig was gebleken” en die daarom Jezus Christus had mogen aannemen. Ook als familieleden, collega’s of andere bekenden in ons leven zich verhard tonen, is alle hoop nog niet verdwenen. Want als Christus klopt en binnen wil, dan is er niemand die Hem tegen kan houden (Hnd. 11: 17).

Aan de andere kant merken we ook de waarschuwing op, die er vanuit gaat. Wie om zo te zeggen ‘in de kerk geboren is’, wordt niet per definitie zalig. Daarom blijft het nodig onszelf te beproeven of we ook in Christus zijn. Om bekeerd te worden en bekeerd te leven. Om zo uit de vruchten zeker te mogen zijn. Het blijft nodig om het Heilig Avondmaal te vieren, waar zwakke gelovigen door God worden gesterkt. De troost van de uitverkiezing mag niet leiden tot zorgeloosheid en lauwheid of sleur. Het blijft daarom ook in ons eigen leven een ‘jagen’ naar en ‘bevestigen’ van de verkiezende liefde van God. Maar ook daarin is de troost aanwezig: niet de tranen die ik pleng – schoon ik ganse nachten ween – kunnen redden: Gij alleen!!

 

De gave van het geloof – troost (2)

 

 

“Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat” (Rom. 9: 13)

 

Vergis ik me – of denken we bij de tekst hierboven vooral aan het voor ons onbegrijpelijke, dat de HERE zegt dat Hij Esau gehaat heeft? En zien we Esau in vergelijking met zijn broer Jakob ten diepste niet vooral als een slachtoffer van de leugens en het bedrog, waardoor hij de vaderlijke zegen misliep? Is het van meet af aan voor Esau geen verloren zaak geweest, omdat van tevoren al bepaald was dat de oudste de jongste dienstbaar moest zijn? Oké, Esau had zijn zegen niet voor een kom linzenmoes mogen verspelen. Maar had Jakob van zijn honger misbruik mogen maken dan? Wat kan een mens beginnen, wanneer er zo duidelijk staat dat de HERE je verworpen heeft? Dit soort gedachten maken een mens – ook een gelovig mens! – nogal eens fatalistisch. Maar dat komt dan, omdat we het onbegrijpelijke wonder van het eerste deel van het vers over het hoofd zien, namelijk dat de HERE zegt dat Hij Jakob heeft liefgehad.

God verkoos Jakob niet boven Esau, omdat Esau zijn zegen verspeelde. God verkoos Jakob zeker niet boven Esau, omdat Jakob zich in tegenstelling tot zijn broer gehoorzaam toonde. Integendeel. Met een slinkse leugen ontfutselde hij aan vader Izaäk de zegen. En het bracht hem weinig voordeel. Want vanaf die dag werd Jakob zwerver zonder thuis. Jakob, de bedrieger van zijn vader, zijn schoonvader en zijn broer werd zelf in zijn leven heel wat bedrogen. Door zijn schoonvader en door zijn eigen zoons bijvoorbeeld. Wie het onbegrijpelijke van de tekst zoekt te verklaren vanuit de vergelijking tussen Jakob en Esau loopt onherroepelijk vast. Er is voor de HERE geen enkele grond in wie dan ook om een mens Zijn liefde te verklaren. Er is geen andere grond dan de wil en de liefde van God Zelf (vgl. Rom. 9: 11-12).

Intussen spreekt dat Esau niet vrij. Want Esau had zijn hart op andere dingen staan, dan op een trouwe dienst aan de HERE. Hij verkwanselde de aartsvaderlijke zegen voor wat hij zag en krijgen wilde. Dat waren geen hemelse en geen eeuwige goederen. Maar aardse en tijdelijke. Dat hield de aandacht en het innerlijk van esau gevangen. God deed Esau daarom geen onrecht – om in de woorden van DL I, 1 te spreken – door van hem te zeggen dat Hij hem gehaat heeft. Alle onrecht en al het brute geweld en ongeloof kan rekenen op dit oordeel van de HERE. Esau is slachtoffer van Jakobs listen. Maar Esau is geen slachtoffer van Gods verkiezend welbehagen. Esau is dader en ter dood schuldig. Net als Jakob. Net als u en als ik.

Intussen is het dus onbegrijpelijk dat de HERE aan het begin van de tekst zegt, dat Hij Jakob heeft liefgehad. Dat wonderlijke en genadige voorrecht kon ook een volk als Israël maar niet vasthouden. En ze presteerden het zelfs om in tijden waarin de zegeningen voor hun gevoel teveel uitbleven, te zeggen dat de HERE hen niet echt liefhad. Zo staat dat in het eerste hoofdstuk van de profetie van Maleachi. En dan zegt de HERE tegen hen: hoe kunnen jullie dat nu zeggen? Want Jakob heb Ik liefgehad en Esau heb Ik gehaat (Mal. 1: 3). Ik heb Mijn liefde verklaard aan de jongste, zonder dat daar enige grond in de twee jongens zelf voor was. “Niet omdat u talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren” zegt de HERE in Deuteronomium 7 vers 7 tegen het volk. Maar “omdat de HERE u liefhad en de eed hield, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HERE u met sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de macht van Farao” en wat daar verder volgt. Het is de moeite waard om die verzen voor u zelf nog eens te lezen. Wat een liefde heeft de HERE aan zondaars getoond! Mensen, die geen haar beter zijn dan hun medemens en geen enkele verdienste hebben waarin ze zouden kunnen roemen, meer of anders dan hun naaste. En toch zijn zij verkoren. Omdat God besloten heeft om uit het hele menselijke geslacht een vast aantal te redden en tot het eeuwige leven uit te kiezen.

Dat geeft bepaald geen reden tot fatalisme. Dat geeft stof tot roem en tot verwonderde dienst aan deze goede God en Vader, die om zijn Zoon ook mijn God en mijn Vader zijn wil. Bij deze God – die in alle ernst ook mij uitnodigt om tot bekering te komen en in Jezus Christus mijn eeuwige toevlucht te vinden is mijn redding niet onzeker, maar vast en waar. Want Zijn liefde voor mij grondt zich niet in mij of in mijn ijver en gehoorzaamheid. Zijn liefde grondt zich in Zijn eigen wil om lief te hebben. Dat is de vaste troost die Gods kinderen mogen hebben. Want het is onbegrijpelijk en wonderlijk, niet te vatten en onnaspeurlijk – maar ongeacht ras, afkomst, stand en status kiest God uit wie Hij wil.


 

De uitverkiezing – onveranderlijk (1)

 

“Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.” (Efez. 1: 4)

 

In ons nadenken over de uitverkiezing beginnen we vaak bij ons geloof. Dat is ook wel begrijpelijk, omdat het geloof om zo te zeggen het eerste is wat een mens van zijn uitverkiezing merkt. Hij voelt en weet zich gegrepen. Hij is gaan geloven en zijn leven is veranderd. Hij houdt rekening met de HERE en probeert heilig te leven. En van daaruit zoeken we dan naar bevestiging. Naar zekerheid over onze verkiezing. Een soms angstige zaak. Want we houden niet altijd rekening met de HERE. We leven niet altijd heilig. Maar zijn we dan wel verkoren?

 

Hoe begrijpelijk het ook mag zijn, het nadenken over de verkiezing begint niet bij onszelf. Zelfs niet bij ons geloof, al mogen we ook uit de vruchten van dat geloof wel zeker zijn (DL V, art. 10). Het staat er dus niet helemaal los van. Maar het is ook niet de enige zekerheid, of zelfs maar de eerste verzekering. Want het kan ook zijn dat de HERE ons een tijd in onze zonden laat. Dat Hij de zekerheid die we zoeken een poosje niet geeft. Of dat we een tijd niet willen zien wat de HERE geeft. Dat het ons te weinig is om ons gerust te voelen. Als de kracht of de stabiliteit van ons geloven ons moest overtuigen dat we uitverkoren kinderen van God zijn, dan was het niet best. Want dan was onze zekerheid even wisselvallig als ons geloofsleven. EREHERHERENee, het uitgangspunt voor al ons nadenken over dit moeilijke onderwerp mag altijd alleen maar zijn: Gods eigen besluit om een vast en groot aantal mensen uit het hele menselijke geslacht in Christus tot het heil uit te kiezen.

 

Dat besluit heeft de HERE genomen, voordat Hij de aarde heeft geschapen, zegt Efeziërs 1 vers 4. Dus lang vóórdat de HERE zei: “Er zij licht” en “laat Ons mensen maken naar ons beeld” heeft de HERE bij zichzelf overlegd wie Hij zou redden. Heel eenvoudig gezegd betekent Gods eeuwige raad, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in Zichzelf en met Elkaar hebben vergaderd en toen besloten hebben om de aarde te maken en mensen van de zonden te bevrijden. God voorzag dus ook de zonde. De HERE voorzag Golgotha. En toch besloot Hij te scheppen. Daar houdt voor ons mensen de kennis op. Want wat er in die vergadering is gezegd en besloten, dat heeft de HERE ons niet verteld. Hij maakt ons alleen bekend, dát Hij van eeuwigheid af een besluit heeft genomen. Zó heeft de HERE een begin gemaakt. En naar het doel daarvan werkt Hij toe.

 

Dat is een geweldige troost. Want als wij als kinderen van God worden aangevochten, als we door de duivel of ons eigen geweten op onze zonden worden gewezen, dan treffen die aanvallen doel. Ons geweten is niet zuiver en ons kleed is niet rein (Zach. 3). Maar onze verkiezing berust ook niet op wie wij zijn of wat we doen. Als ons geloof wankelt, wankelt de verkiezing niet. Onze verkiezing rust namelijk op en in Gods besluit. En als we in de moeite komen en we zien de kerk onder vuur liggen, dan hoeven we niet te wanhopen. Want de HERE heeft een vast aantal mensen verkoren. Hij heeft meegewogen en afgewogen dat er pijn zou zijn, lijden en rouw. Maar dat heeft de HERE niet doen besluiten om er vanaf te zien. Integendeel: door lijden heen werkt de HERE toe naar heerlijkheid. En als kinderen of bekenden zich van de HERE afkeren en we een poos of langer moeten vrezen voor hun eeuwig heil, dan mag het troosten dat een vast aantal mensen is gekozen, die de HERE naar Zich toetrekt. Hoe iemand ook tegenwerkt. En werken we niet allemaal van nature tegen?

 

Wat een machtig iets is dat, dat je weten mag dat de HERE alles vooraf heeft bepaald. Ziekte kan mij, maar niet Hem verrassen. Lijden overkomt mij, maar Hem nooit. Verdrukking komt voor ons uit onverwachte hoek, maar de HERE weet hoe Hij sturen moet. Daar moeten we niet van maken, dat bij de HERE ‘toch alles al bekend is’. Want dan worden we lauw en suf. Maar we mogen eruit leren, dat ons leven hoe dan ook geborgen is en Gods Naam op Zijn tijd over heel de aarde groot zal zijn. Dat motiveert juist om aan het werk te zijn. Om nog meer te proberen heilig te leven. Om te groeien in geloof en ons altijd weer aan Gods beloften vast te klampen. Dat is nooit tevergeefs. Dat blijft ook nooit onopgemerkt. Want de HERE weet en ziet alles. En wat Hij besloten heeft, komt uit!


 

De uitverkiezing – onveranderlijk (2)

 

“En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat ik van alles wat hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage.” Joh. 6: 39)

 

De tekst uit Johannes 6 wordt in de Dordtse Leerregels als Schriftbewijs aangevoerd tegenover de dwaling van de Remonstranten dat een gelovige nooit zeker weten kan of hij is uitverkoren. Dat komt volgens de Remonstranten niet alleen vanwege de wisselvalligheid van het geloof. De reden voor deze onzekerheid bestaat hierin, dat Gods besluit om te verkiezen door de mens zelf veranderd kan worden. Zo staat het in VdD I, 6: “De uitverkiezing tot behoud is niet in alle gevallen onveranderlijk; sommige uitverkorenen kunnen ondanks een besluit van God verloren gaan en gaan ook werkelijk voor eeuwig verloren.” De Remonstranten moeten wel tot deze conclusie komen, omdat ze al eerder hebben gezegd dat Gods verkiezing afhangt van het geloof van de mens. Omdat God tevoren al zag dat bepaalde mensen gingen geloven heeft Hij ze uitverkoren. Als je dat beweert, dan geldt dat natuurlijk ook omgekeerd, namelijk dat een mens door ongeloof zijn verkiezing teniet kan doen en alsnog verloren gaat.

 

Nu begrijpen we nog beter, waarom het van levensbelang is om te blijven benadrukken dat de HERE niet op grond van ons (door Hem vooruitgezien) geloof kiest, maar op grond van Zijn eigen Koninklijke en vrije wil. Van als het geloof van de mens grond is voor verkiezing, dan is het ook grond voor verwerping als hij het geloof niet weet vast te houden. Dan zouden we in de spanning terecht komen van de angst dat we het geloof misschien niet vast zullen houden, of dat ons geloof niet voldoende is en te weinig inhoud heeft. Dat is overigens iets anders, dan dat we er lauw onder blijven en ons niet zoveel zorgen maken over de verkiezing. Ik heb daar eerder over geschreven. De ware gelovige worstelt juist met deze vragen, maar mag zijn rust vinden in wat de Dordtse Leerregels terecht noemen: “een onveranderlijk voornemen van God” (DL I, 7). Gods besluit staat vast. Daar kan ook de wisselvalligheid van mijn geloofsvertrouwen en geloofsbeleving niets vanaf doen. Nogmaals, dat is niet bedoeld om me zorgeloos te maken, maar om me in alle aanvechting en geloofsstrijd te troosten en te bemoedigen.

 

De mens is veranderlijk. De ene dag besluiten we het één. De andere dag het ander. Daar liggen ook allerlei menselijke overwegingen en emoties aan ten grondslag. Uit boosheid kunnen we soms beloften verbreken of intrekken. We kunnen besluiten moeten herzien, omdat de omstandigheden veranderd zijn. Om een voorbeeld te geven: wie zegt morgen te gaan zeilen, moet morgen misschien thuisblijven omdat er geen wind is. Een mens is afhankelijk en soms even wisselvallig als het weer. Maar zo is de HERE niet. Merk ik dus geloof in mezelf op, dan mag ik weten dat dit één van die geschenken is, die bij de agenda van een onveranderlijk God horen. Door mij geloof te geven, bindt God mij aan Hem. Dat is naar Zijn raadsbesluit dat van eeuwigheid al vast staat. Zo mag ik het geloof als een gave van de HERE aanvaarden en belijden.

 

Dat er vervolgens veel aanvechtingen kunnen zijn, dat mensen van het geloof afvallen en de HERE de rug toekeren,  dat ik ervoor vechten moet om mijn verkiezing te bevestigen en dat mijn geloof zelfs soms tot mijn eigen ontzetting een poos heel klein of bijna verdwenen kan zijn, is allemaal waar. Maar dat komt niet omdat het bij de HERE de ene dag anders is dan de andere. Want dan zouden we een Godsbeeld oprichten dat de HERE in Zijn besluiten willekeurig maakt, of zelfs bij de uitvoering afhankelijk maakt van wat mensen willen en doen. Waar ik niet uit kan zeilen omdat er geen wind staat, daar maakt God de wind. Waar ik niet kan vasthouden, omdat de krachten soms ontbreken, daar heeft God alle kracht. Hoe ik dan om moet gaan met de zekerheid van mijn geloof en hoe bekering en de noodzaak van de wedergeboorte in Gods besluiten zijn opgenomen, daar hoop ik de volgende keer iets meer van te mogen zeggen. Maar het uitgangspunt blijft: Gods onveranderlijk voornemen om een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil te brengen. Daar mag de godvrezende rijke troost uit putten!

 

De uitverkiezing – onveranderlijk (3)

 

“Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” (Rom. 8: 29-30)

 

Het vorige artikel besloten we met de zin: “maar het uitgangspunt blijft: Gods onveranderlijk voornemen om een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil te brengen.” Gods onveranderlijk voornemen. Niet willekeurig dus, niet wisselvallig en niet afhankelijk van omstandigheden of tegenkrachten, maar een voornemen dat de HERE vrijmachtig en soeverein door alle eeuwen heen uitvoert. Zo vermeldt de Heilige Geest dat van de heidenen hen “die tot het eeuwige leven bestemd waren” ook tot geloof kwamen (Hand. 13: 48).

Wanneer wij het hebben over dit besluit en werk van de HERE, dan noemen we dat de ‘orde van het heil’. Dat wil zeggen dat we bij onderwerpen als geloof, bekering, verkiezing en roeping, spreken over de (volg)orde waarin de HERE ons geloof en wedergeboorte geeft. Het is belangrijk om te onderstrepen en tot ons door te laten dringen dat we spreken over het raadsbesluit en de uitvoering van de HERE. Want als we bijvoorbeeld het geloof van God ontvangen, dan komen ook de aanvechting, de geloofsworsteling en vertwijfeling ons hart en leven binnen. Dat kan tot de vraag leiden of ik wel genoeg geloof om wedergeboren en dus zalig te mogen heten. Dan is de maat van mijn geloof en de kracht van mijn geloof bepalend voor de zekerheid van het heil.

Nu wil ik niet zeggen dat de maat en de kracht van mijn geloof er niet toe doet. Integendeel. De Dordtse Leerregels zeggen in hoofdstuk 5 (art. 10), dat de Heilige Geest samen met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn en dat wij  onszelf met een heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken. Aan de vruchten kent men de boom (Mat. 7: 17). Maar al zijn wij in de uitwerking van Gods raadsbesluit betrokken, omdat God Zijn besluit aan en in ons uitvoert en we dat dus merken in ons hart en leven, bij het besluit zelf zijn we niet betrokken geweest. Dat is iets dat de HERE al voor de grondlegging der wereld besloten heeft (Ef. 1: 4). Daarom kunnen we over de heilsorde ook niet al te beslist spreken over de vraag bijvoorbeeld of de HERE eerst tot bekering en daarna tot wedergeboorte besloten heeft. Of eerst tot roeping of daarna tot zaligmaking. Ons past bescheidenheid in deze dingen. Want wie kan weten wat in God is, dan de Geest Gods die in Hem is (1Kor. 2: 11).

Toch is het zinvol om juist vanuit het besluit van God te spreken als we het over de heilsorde hebben, omdat de HERE alleen volmaakte gaven schenkt (Jak. 1: 17) en er bij Hem geen zweem van verandering is. Dat wil zeggen, dat als ik in mijzelf opmerk dat ik geloven mag – als een geschenk van God (Ef. 2: 8) – dat met dat geschenk ook al het andere dat God besloten heeft meekomt. Geloof is een gave die niet los van de roeping en de verkiezing staat. Het is de orde van het ene heil dat God bewijst en geeft aan hen die in de Zoon geloven. Het zijn geen apart gaven, maar het zijn gaven uit de gulden keten van Romeinen 8. God bestemt. God roept. God rechtvaardigt. God verheerlijkt. Deze gaven zijn met elkaar verbonden in het ene besluit van de ene God om mensen zalig te maken in Jezus Christus. En al kunnen wij niet in Gods besluitenboek kijken, wij mogen vanuit het geloof als het ware terugrekenen langs die gulden keten: ik geloof, maar dan ben ik ook gerechtvaardigd, dan ben ik geroepen en dan ben ik ook verheerlijkt. Dat is Gods besluit tot verkiezing. Eén besluit, waarin God onveranderlijk uitvoert wat Hij zich voorgenomen heeft.

In een ander verband komen we hier DV later nog wel op terug. Maar dit is de troost van artikel 7: “En om hen door Christus te behouden, besloot God tegelijk deze uitverkorenen aan Hem te geven en met kracht tot de gemeenschap met Christus te roepen en te trekken door zijn Woord en Geest. Of met andere woorden: God besloot hun het geloof in Christus te schenken, hen te rechtvaardigen en te heiligen en hen ( .. ) uiteindelijk te verheerlijken. Wanneer ik zeggen mag dat ik geloof is dat het beamen van een geschenk waaraan al heel wat is voorafgegaan!


 

De uitverkiezing – niet veelsoortig (1)

 

Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.” (Jak. 1: 17)

 

Wanneer wij in het geloof worstelen met de ‘heilszekerheid’, dat wil zeggen: de vraag of we zalig zullen worden, moeten we het antwoord niet in onszelf zoeken. Dat is de les van wat we tot nu toe uit de Dordtse Leerregels hebben mogen horen. De belijdenis gaat daar met zoveel woorden tegenin, omdat juist vanwege die wisselende geloofservaring, waarin we ons als mensen de ene dag zo sterk en de andere dag zo zwak kunnen voelen staan, de Remonstrantse leer gelovigen tot wanhoop kan brengen. Zij zeggen namelijk, dat een mens daar nooit zeker van kan zijn. En ze beweren daarbij ook nog dat dit mede het gevolg is van de besluiten van God. Waarom ze dat doen wordt in een volgend artikel wel duidelijk. Dat heeft namelijk te maken met de Remonstrantse bewering dat een mens vrij is om te kiezen en later in zijn leven kan besluiten om het geloof op te geven. Maar dat raakt dus de onveranderlijkheid van God en Zijn onveranderlijke raadsbesluit.

De Remonstranten stelden dat de uitverkoren ondanks een besluit van God toch verloren kunnen gaan (VdD I, 6). En dat Gods uitverkiezing veelsoortig is (VdD I, 2). De onvolkomen (!) uitverkiezing is gebonden aan bepaalde voorwaarden. Er is een uitverkiezing tot geloof, die niet een uitverkiezing tot behoud hoeft te betekenen. Ofwel, volgens de Remonstranten wil het hebben van geloof nog niet zeggen dat je ook zalig wordt.

Maar dat maakt verschrikkelijk onzeker. Alsof we bang moeten zijn, dat we maar een klein stukje van Gods grote geschenk gekregen hebben. Wel geloof. Maar geen rechtvaardigmaking. Dan wordt het afwachten wat de HERE uiteindelijk besloten heeft en blijft ons leven op aarde één grote angstvraag naar de toekomst. Want de één krijgt de helft, een ander moet nog aan voorwaarden voldoen en dan is er kennelijk ook nog de begenadigde, die het helemaal ontvangen heeft. Maar zelfs die is niet zeker (VdD, I, 6). Uiteindelijk maakt deze leer God onbetrouwbaar en willekeurig. De één geeft Hij dit. De ander dat.  En als je het ontvangen hebt, kan het je ook nog afgenomen worden.

Er is bij God geen dubbelhartigheid, geen koersverandering, geen wisselvalligheid en geen willekeur. “De Schrift verkondigt ons immers één welbehagen, voornemen en raad van Gods wil, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft uitverkoren tot de genade en tot de heerlijkheid, tot het behoud en tot de weg van het behoud”, zeggen de Dordtse Leeregels in artikel 8 van het eerste hoofdstuk. Al voor de grondlegging der wereld had de HERE besloten wie Hij uit de wereld aan Zijn Zoon zou geven. En zou Christus één van de Zijnen uit Zijn hand laten roven (Joh. 6: 39)? Daarom belijden we dat Gods genade “onwederstandelijk” is. Dat betekent, dat als God besloten heeft iemand tot het geloof te roepen om diegene te behouden, verzet geen zin heeft. Dat is ook de troost van het onveranderlijke voornemen van God om een bepaald aantal mensen te verkiezen: wie Hij wil, die haalt Hij op. Dat is de vaste troost voor mensen die blijven bidden voor het behoud van wie hen lief en dierbaar zijn. Ook als mensen ver weg zijn gedwaald, blijft er hoop. Want verdwaalde schapen komen in de kudde terug!


 

De uitverkiezing – niet veelsoortig (2)

 

“Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”(Ef. 2: 10).

 

De kerkvader Augustinus heeft ooit gezegd: “zoals de knop de bloem belooft, zo barst in het Nieuwe Testament de knop van het Oude Testament uit in de kleuren en de bloem van Christus”. De actualiteit van deze belijdenis laat zich zien in de manier waarop we vandaag met de eenheid tussen het Oude en Nieuwe Testament omgaan.

Als we bijvoorbeeld zouden stellen dat in de oude bedeling mensen door werken der wet zalig moesten worden en in de nieuwe bedeling door het werk van het geloof, dan is het gemeenschappelijke in die redenering, dat het om werken gaat. Om dingen die wij als mensen doen. Ook het geloof wordt dan een werk van mensen. En om dat mogelijk te maken moeten we dan wel aannemen dat er een vrije wil in de mens is overgebleven om dit werk van geloof wel of niet te doen. We maken dan een heel forse scheiding tussen de beide bedelingen, alsof de HERE vanaf de Pinksterdag een nieuwe start maakt. Omdat wij gaan willen komt de Heilige Geest ons hart binnen en gaan we ook daadwerkelijk heilig leven. In dat geval is het geloof het gevolg van onze vrije keus. Een keus die mensen in het Oude Testament nog niet hadden, omdat de Here Jezus nog niet was gestorven en de Heilige Geest nog niet was uitgestort. Zij konden nog niet kiezen, omdat de HERE hen nog niet kon en wilde helpen heilig te leven. Christus moest immers Zijn bloed nog storten?

 

Deze gedachte brengt de Here Jezus als centrum van de geschiedenis ver uit beeld. Alsof de gelovigen uit het Oude Testament op grond van iets anders zalig zijn geworden dan op grond van het enige offer dat Christus aan het kruis gebracht heeft! Bovendien snijdt het Gods ene, onveranderlijke en vrije wil en raadsbesluit in stukken. De HERE ‘moest’ in het Oude Testament mensen wel op een andere grond rechtvaardigen, dan in het Nieuwe Testament. Want Hij ‘kon’ hen de verzoening van Christus nog niet toerekenen. Deze leer maakt het Oude Testament voor christenen misschien interessant, maar niet noodzakelijk. Met die tijd is immers nu afgerekend?

 

Het blijft van onschatbaar belang om te belijden dat er één verkiezend welbehagen van God is, vóór de geschiedenis genomen en gegrond in Jezus Christus. Daar spreken de Psalmen van en getuigen de profeten van. De komst van deze Koning klinkt als belofte door heel het Oude Testament heen. Alles schaduwt Hem af en is type van Hem, door Wie de HERE de wereld met Zichzelf verzoenende was (2Kor. 5: 19). Niet de werken der wet rechtvaardigen een mens. Ook Abraham, Sara, Noach en Rachab zijn door het geloof gerechtvaardigd en niet op grond van werken der wet (Rom. 4: 2-3; vgl. Hebr. 11). Het geloof, dat een gave van God is (Ef. 2: 8).

 

Zo één als God is, zo waar als God is en zo onveranderlijk als God is, zo één en waar en onveranderlijk is ook Zijn besluit om uit het menselijk geslacht een vast aantal mensen te redden. Dat besluit voert de HERE in de tijd uit. En die uitvoering kent fasen, maar geen breukvlakken of veranderingen. Zo ligt dan de zekerheid van onze zaligheid niet in het minst in onszelf, maar alleen in het werk van God de Vader, de Zoon en de Geest. Uit God en door God en tot God zijn alle dingen. Hem zij de eer in alle eeuwigheid!

 

De bron van het goede – doel (1)

 

“Genees mij HERE, dan zal ik genezen zijn; help mij, dan zal ik geholpen zijn, want Gij zijt mijn lof. (Jer. 17: 14) 

 

“Deze uitverkiezing is dus de bron van al het goede, dat tot behoud leidt” zeggen de Dordtse Leerregels in artikel 9 van het eerste hoofdstuk. Met de kennis van wat we tot nu toe uit de belijdenis hebben mogen leren betekent dat, dat Gods verkiezend werk het begin van alles is. Ook als we het hebben over het geloof of over de vruchten van de Geest, over het loven en prijzen van de HERE en over de levensheiliging, spreken we over niets anders dan over de genade van God, die uit vrije wil tot het behoud van mensen heeft besloten. Dat moeten we blijven vasthouden, ook als het gaat om wat we van die genade in ons eigen hart en leven merken en ervaren.

Want dat is natuurlijk de spanning die het leerstuk van de uitverkiezing altijd weer met zich meebrengt. De spanning van het ervaren van Gods genade. De spanning van het geloven in wat God doet. Hij doet dat namelijk. Maar ik ervaar dat. Hij betoont genade. Maar ik merk dat op. Hij vervult mij met Zijn heilige Geest zo, dat ik kan zeggen dat ik geloof. Hij vernieuwt mijn leven zo, dat ik kan zeggen dat ik mijn leven heilig. Hij beheerst mijn gedachten zo, dat ik kan zeggen dat ik christen ben. En er zijn tijden, dat een christen dat met blijdschap kan vervullen. Wat is het dankbaar en verrassend als we God in ons leven aanwezig weten. Als we perioden mogen kennen van een vast geloof en een blijde zekerheid. Als we vervuld zijn van geloofsmoed en geloofsvertrouwen. Tijden, dat we het van harte kunnen zingen: “Als ik het Lam zie, geslacht ook voor mij – dat maakt voor eeuwig mij zalig en blij!”

Maar er zijn ook andere tijden. Perioden waarin we het werk van de HERE in ons niet zo nadrukkelijk opmerken. Tijden soms, waarin we dat werk van God zelfs heel nadrukkelijk tegenwerken door slordig te zijn in het Bijbellezen of onverschillig te staan tegenover de dienst aan Hem. Tijden waarin we met allerlei andere dingen druk bezig zijn of ons laten meeslepen door gebeurtenissen en omstandigheden. Tijden, waarin we ons wankel voelen en niet anders kunnen dan belijden dat we maar zwakke zondaren en grote misdadigers zijn. Tijden van het gebed: “uit diepten van ellende roep ik tot U o HEER”.

 

Waar mag je dan aan vasthouden? Wat is je zekerheid? Gelukkig is dat niet je eigen kracht, je geloofsvertrouwen of je blijdschap in Jezus Christus. Want dan zou de zekerheid van je behoud afhangen van wat je voelt of ervaart. Nee, je zekerheid ligt bij de HERE en bij wat Hij doet. En dat is meer dan wat een mens ervaren en opmerken kan. Dat is vooral wat een mens horen kan, namelijk dat hij wordt uitgenodigd tot het heil in Christus. Zo mogen we naar de verkondiging van het Woord luisteren. Dat wordt niet (alleen) tot je buurman of buurvrouw in de kerk gezegd. Dat wordt tot heel de gemeente gesproken. Er zijn geen kwaliteiten in mensen waar de HERE bij ‘aanhaakt’ om zo te zeggen. God kiest geen mensen uit omdat Hij van tevoren wel gezien heeft dat die mensen het ook aan zullen nemen. Nee, elk hart, elke ziel, elke gedachtegang en overweging, elke wil en elk verlangen naar zingeving moet de HERE ombuigen. En wat je stil onder de preek mag zeggen is dan ook: “Ja HERE, ik weet en U weet dat ik een ellendig en hardnekkig zondaar ben. Ik weet dat het niet verdiend is en U en ik weten hoe ik in de afgelopen tijd worstel om in het daglicht van Uw genade te leven. Maar verander mij, alstublieft. Bekeer mij, HERE, dan zal ik bekeerd zijn. Genees mij, dan zal ik genezen zijn. Schep in mij God een hart dat leeft in het licht!”

Dat is Gods verkiezend werk. Hij roept mensen tot Zijn dienst. Hij vormt mensen tot Zijn dienst en buigt ze, net zolang tot er overgave is en dienstbaarheid. Wie dat heeft ervaren in zijn leven weet hoe dankbaar een mens daarmee kan zijn. Want wat stribbelen we tegen. Wat zijn we moeilijk te veroveren. Wat is het vaak ver van ons om met een vrij geweten God in alle blijdschap groot te maken. En wat is het dan een genade als de tijd weer aanbreekt, dat de HERE ons buigt en kneedt. Omdat er geen grotere vreugde is dan te leven naar Zijn wil.

 

 

De bron van het goede – doel (2)

“Hij heeft ons uitverkoren opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht” (Ef. 1: 4)

 

 

Wanneer we de lijnen van de bijbel volgen, waarin de HERE ons stap voor stap – en met veel geduld – bekend maakt wat Zijn plannen zijn, dan valt vooral op dat de HERE bezig is naar Zijn doel toe te werken. Het is niet overbodig om daar nog eens nadrukkelijk aandacht voor te vragen. Want geloven en religiositeit is voor mensen van alle eeuwen nogal eens iets geweest (en is dat vaak nog) om zich ergens goed bij te voelen. Om ergens veiligheid te krijgen. Vooral met betrekking tot het laatste taboe, het sterven. Geloven wordt dan iets, dat je uittilt boven de dagelijkse moeiten en de spanning over de dood. Wat een mens niet kan regelen, namelijk zijn leven na de dood, wordt dan verzekerd. Terwijl de troost daarvan als een warme deken over de zorgen en moeiten van het leven van elke dag ligt.

Het punt in deze manier van geloven is, dat het een middel voor de mens is om aan het onontkoombare te ontsnappen, zoals ziekte, zorgen en sterven. Zo kunnen mensen ook verlangen naar de hemel. Kunnen ze er naar uitzien om ontslagen te zijn van de alledaagse moeite. Als een verlossing van wat hen tot slachtoffer maakt. Dat kan zelfs veel enthousiasme voor “Jezus” geven. Want Hij is het, die ons liefdevol te hulp komt en ons in alle moeiten “begrijpt” en ervan verlost. De kerkgang is er dan, om steun te zoeken bij Jezus en de prediking is er om ons te troosten dat ons lijden de langste tijd gehad heeft.

Maar dat staat ver van wat het ware geloof mag heten. Het ware geloof richt zich namelijk niet op de verlossing van mijn moeiten om mijzelf, maar het ware geloof richt zich op het samenleven met God, dat door mijn zonden is opgebroken. De bijbel leert ons onszelf kennen als zondaren, die er elke dag op uit zijn om die samenleving met de HERE te verloochenen en onszelf en onze verlangens op de eerste plaats te zetten. De ware verlossing is dan ook niet, dat iemand mij bevrijdt van alles waar ik last van heb, maar dat er Iemand komt, die mij verlost van mijzelf. Van mijn kwade verlangens, mijn kortzichtige gedachten, mijn verblinde verstand en mijn donkere hart. De volkomen verlossing houdt in, dat ik wordt weg gekruisigd en veranderd wordt. Niet mijn omstandigheden moeten in de eerste plaats gewijzigd worden, maar ik moet een verandering en vernieuwing ondergaan. Want in de plaats van een hart dat haakt naar zelfbestuur en ik gericht gedrag, moet een hart komen dat vervuld is van liefde tot God en de naaste. In plaats van de boosheid van de revolutie moet de onderwerping en gehoorzaamheid mijn leven en denken gaan beheersen. Daar is God mee bezig. Dat wil God. Hij heeft ons uitverkoren, opdat wij heilig en onberispelijk zullen zijn, zegt Paulus. Dat waren we dus niet. Dat zijn we ook nu nog niet. Zelfs niet, als we een klein begin van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. En als we in de kerk naar de verkondiging van het evangelie luisteren, dan is dat niet om slachtofferhulp te ontvangen, maar aan onze zonden ontdekt en als dader ontmaskerd te worden, de verlossing door Jezus Christus verkondigd te krijgen en de Geest zo in het hart te ontvangen en in ons te laten werken dat wij ons denken en ons doen richten op wat de HERE goed vindt.

 

Het doel dat de HERE door de geschiedenis heen wil bereiken is de volle gemeenschap en de volkomen samenleving met Hem, in alle gerechtigheid en heiligheid, zoals Hij de mens geschapen heeft. Daarheen neemt de HERE ons mee en naar die werkelijkheid voert het Lam ons. Het ware geloof geeft zich daar met een vast vertrouwen aan over en richt zich met aanhoudend verlangen op dat samenzijn. Want het bloed van Jezus reinigt van alle zonden (1 Joh. 1: 7). In en door de prediking wordt de verzoening bediend. Met ambtelijke volmacht. Op bevel van God zelf. Wie daar zijn vreugde in heeft, wil niet anders dan dagelijks leven uit de Bron.

 

De bron van het goede – grond (1)

“Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden – opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept – “ (Rom. 9: 11)

 

Wat de Dordtse Leerregels nadrukkelijk hebben willen handhaven is, dat in de vraag naar de oorsprong van het geloof en de zaligheid aan niemand anders eer gegeven zou worden dan aan God alleen. Bij Hem begint het. Hij houdt het in stand. Hij brengt het ook tot voltooiing. Van Ruler heeft het ooit zo gezegd: ‘mijn christen zijn is als een hangmat, gespannen tussen Gods raad enerzijds en Gods heerlijkheid anderzijds. Er kan veel wind staan en de hangmat kan schommelen, maar hij hangt wel veilig’. Het diepe en wonderlijke geheim van je uitverkiezing is niet na te rekenen, maar alleen te aanvaarden als een onverdiend geschenk uit de hand van een genadig God. Zo laat de HERE dat in de bruidstijd met Zijn volk Israël ook horen in Deuteronomium 7: 7-9. Niet vanwege Israël, niet vanwege Israëls kracht of aantal, zijn waarde of zijn afkomst, maar vanwege Gods liefde alleen!

Aan de ene kant is dat voor ons mensen altijd weer moeilijk. Want wij hebben zo graag zekerheid in onszelf. In ons denken, ons voelen of ons beredeneren of ervaren. Wij gaan graag op zoek naar eigenschappen of voorwaarden om het wonder te kunnen verklaren (vgl. DL I, art. 10). Maar het is uitgesloten dat we daar een antwoord kunnen vinden en zekerheid krijgen over de verkiezing.

Aan de andere kant is dat juist zo troostrijk. Want al ons ervaren en beredeneren is wisselvallig. Het is willekeurig, onzeker en onvolkomen. Wie zekerheid over zijn verkiezing en dus ook over Gods liefde in zichzelf zoekt, komt de ene dag tot andere conclusies dan de andere. Maar daar bovenuit rijst het Woord van de HERE dat ons verkondigt dat Gods verkiezende liefde geen grond vindt in mijn trouw, mijn gehoorzaamheid, mijn overtuiging of mijn geloofskracht, maar in Zijn wil en in de liefde in Zichzelf. Dat is wat de Dordtse Leerregels in artikel 10 uitdrukken met het woord ‘welbehagen’.

Dat woord drukt meer uit dan Gods vrijmacht of soevereiniteit. Het gaat vooral om de liefde die God in Zichzelf heeft. We zouden als mens zeggen, dat het gaat om de levensvreugde die iemand in zichzelf vindt. Het woord welbehagen zegt dus iets over de HERE zelf. God is een God ‘van het welbehagen’. Een God, die in Zichzelf vreugde en liefde heeft en daar van uitdeelt. God belooft Zichzelf, als Hij belooft dat we in Zijn heerlijkheid mogen leven. En de zekerheid van mijn verkiezing ligt dus buiten mij, in een God die om Zijn welbehagen mij het leven schenken wil. Een God, die op Golgotha Zijn liefde laat schitteren in de kruisdood van zijn Zoon en sinds Pinksteren door het levendmakende werk van zijn Geest mij vernieuwt. Zo is mijn verkiezing en Gods verkiezende genade – als een werk in de tijd – het werk van de drie-enige God. Wat Hij van eeuwigheid besloten heeft, werkt Hij in de tijd uit. Naar Zijn besluit en plan. Soli Deo gloria!

 

De bron van het goede – grond (2)

 

“Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God;  niet uit werken, opdat niemand roeme” (Ef. 2: 9)

 

De grond voor onze verkiezing ligt in het verkiezend welbehagen van God, zo zagen we vorige keer vanuit artikel 10 van het eerste hoofdstuk. Nadrukkelijk stellen de Dordtse Leerregels dat tegenover de dwaling van de Remonstranten, die in de Verwerping der Dwalingen (I, 4) genoemd wordt: “Bij de uitverkiezing tot geloof moet de mens eerst aan de volgende voorwaarden volkdoen: hij moet het licht der natuur goed gebruiken; hij moet vroom, ootmoedig en nederig zijn en geschikt voor het eeuwige leven.” Daar spreekt wel een andere taal uit! Niet de HERE, maar de mens treedt hier op de voorgrond. In het antwoord dat de Dordtse Leerregels geven, spreken ze dan ook terecht van een dwaling die “bedenkelijk veel op die van Pelagius lijkt”.

Toch ligt er wel een begrijpelijke gedachtegang achter deze dwaling. Ook de Remonstranten zagen in de praktijk namelijk, dat er soms gelovigen afdwalen en de HERE de rug toekeren. Zij vroegen zich af hoe dat kan. En ze kwamen, wat eenvoudig gezegd, tot de conclusie: tot bekering komen is één ding, maar erbij blijven is een tweede. Je moet ook volhouden en doorzetten. Je mag niet verslappen in de dienst en er moet groei zijn, vooruitgang. Er is namelijk meer dan geloof alleen. Er is ook een leven in geloof, dat vruchten moet voortbrengen. Dat is niet altijd het geval, zo blijkt. Maar wie valt dat dan te ‘verwijten’? Wanneer we uitgaan van Gods verkiezend welbehagen, en mensen blijken in de praktijk van het geloof af te kunnen vallen, dan wordt het geschenk van God twijfelachtig. Je kunt bij de verkiezing en de weldaden van de verkiezing daarom beter uitgaan, zo zeiden die Remonstranten dus, van iets dat in de mens ligt. Want als er dan afval is en verlating, dan valt het die mens aan te rekenen en niet de HERE.

Wat is hier nu het verwarrende? Het verwarrende is, dat in de uitwerking van Gods verkiezend welbehagen de mens betrokken is. Het gaat niet buiten ons om, maar voltrekt zich binnen in ons. De zekere God werkt met zekerheid in onzekere mensen. Mensen die na de viering van het heilig Avondmaal bijvoorbeeld moeten vragen, of er vrucht mag zijn en groei. Mensen die belijden, dat ze “geen volkomen geloof hebben en God niet met zoveel ijver dienen als ze verplicht zijn”. Mensen die dagelijks in zonden vallen soms zelfs een tijd lang in zonde leven. Mensen, die de ene dag vol heilig vuur kunnen spreken van hun geloof en de andere dag verloochenen wat ze de vorige dag verkondigd hebben. In die onzekerheid en wisselvalligheid en willekeur moeten we de grond voor onze verkiezing niet zoeken. Want dat zou betekenen dat we tot onze dood zouden twijfelen of we voor God bestaan kunnen. Dat zagen de Remonstranten natuurlijk ook wel. Maar toen kwamen ze tot de volgende dwaling. Ze stelden: dat onvolkomen geloof van ons, dat houdt God voor volkomen. En genade is nu, dat we eigenlijk niets hebben, maar dat de HERE het geweldig vindt dat we toch met iets komen. God neemt genoegen, zeiden ze dus, met het onvolmaakte, het bevlekte en onheilige.

In de uitverkiezing en de zekerheid daarover moeten we niet vluchten in ons onvolmaakte en onvolkomen geloofsleven. We moeten vluchten naar Christus en in Zijn bloed onze zekerheid hebben. Hij is Gods uitverkoren Knecht, in Wie Hij zijn verbond stelt (Jes. 42). De Remonstranten redeneren langs het kruis van Jezus Christus heen. Terwijl de HERE toch zo duidelijk zegt, dat Hij ons “in Christus” heeft uitverkoren (Ef. 1). Maar over die zekerheid D.V. een volgende keer.

 

De bron van het goede – zeker (1)

 

“Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” (Joh. 6: 37)

 

De grond voor onze uitverkiezing is de gunst en de genade van de HERE, die uit het menselijk geslacht een vast aantal heeft gekozen, dat Hij behouden wil. In die grond ligt ook onze zekerheid. Want christenen zijn avondmaalgangers, die moeten belijden dat ze geen volkomen geloof hebben, God niet met zoveel ijver dienen als ze verplicht zijn en dagelijks tegen de zwakheid van het vlees te strijden hebben. Er is veel in ons leven dat laat zien hoe we tekort schieten in vertrouwen en blijdschap. Er zijn perioden waarin we de nabijheid van de HERE minder ervaren. Er zijn ook momenten dat we zo intens kunnen verlangen naar de tijd dat we van onze zonden afgestorven zullen zijn en de HERE met een ongedeeld hart mogen prijzen en dienen. Juist voor hen, die verslagen van hart zijn, is de uitverkiezing een troost. Want de zekerheid van het heil ligt niet in ons, maar in de HERE die naar het door Hem gestelde doel toewerkt.

Prachtig schittert die zekerheid in artikel 11 van het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels door in het noemen van een aantal deugden van God. Als eerste wordt Gods wijsheid genoemd. De HERE kiest de beste middelen. Hij weet overal raad op en wordt door niets in verlegenheid gebracht. Onze tekorten verrassen om zo te zeggen de HERE niet. Hoewel de mens een eigen verantwoordelijkheid heeft, mogen we die verantwoordelijkheid nooit zo groot maken dat Gods soevereiniteit en almacht in mindering zouden komen. De zekerheid van onze verkiezing is een zekerheid die naar ons toekomt in de weg van geloof. De weg van luisteren, overwonnen en bevestigd worden. Daarom dringen de Dordtse Leerregels er in hoofdstuk V ook op aan, om de middelen te blijven gebruiken. Ook als er tijden zijn waarin een mens weinig voelt en ervaart. De weg van het geloof is niet een weg die we aarzelend hoeven te gaan. Integendeel, het is juist Gods wijsheid die maakt, dat we luisterend zeker mogen blijven van Hèm!

En wat van God geldt, geldt ook van Jezus Christus. Let er op, dat Hij in Jesaja 9 de wonderbare Raadsman wordt genoemd. Hij is de wijsheid, die van eeuwigheid is en het Woord dat in den beginne bij God was.

De tweede deugd die de Dordtse Leerregels noemen is Gods onveranderlijkheid. Wat de HERE eenmaal heeft besloten, heeft Hij vastgesteld voor altijd. De HERE verandert niet met de tijd of de omstandigheden mee. Zijn wijsheid maakt, dat Hij alle dingen voor is. Dat draagt als het ware Zijn onveranderlijkheid. Ook zijn Woord van verkiezende genade is een Woord dat tot in eeuwigheid blijft. Wij als mensen moeten onze beslissingen vaak bijstellen en krijgen soms een dieper inzicht. “Voortschrijdend inzicht” noemen we dat. Bij de HERE is dat niet zo. God groei niet mee met de tijd, maar de tijd groeit door naar wat God onveranderlijk en wijs besloten heeft. En opnieuw is het ook zo met de Here Jezus. Hij is, zegt Jesaja 9, de eeuwige Vader, of de Vader der eeuwigheid. Dat betekent dat het Woord alle dingen draagt. Hij is het begin en het einde, de alpha en de omega.

Wanneer we de deugden van God overdenken, begint de verwondering en de aanbidding door te breken. Ik heb u bij uw naam geroepen. U bent van Mij, zegt Hij. Aan het Woord van deze heerlijke en heilige God mogen we ons vastklampen. Wat Hij aan de Zoon gegeven heeft, dat zal zelfs door de poorten van het dodenrijk niet overweldigd kunnen worden!

 

 

De bron van het goede – zeker (2)

 

 

“Het hart van een koning is in de hand van de HEERE als waterbeken,

Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.” Spr. 21: 1

 

 

De vorige keer hebben we een begin mogen maken met het overdenken van de deugden van God, zoals deze worden genoemd in artikel 11 van het eerste hoofdstuk. We wezen op de wijsheid en de onveranderlijkheid van de HERE. Niets verrast Hem en niets kan Zijn werk blokkeren of veranderen. Daar wijzen ook de twee volgende deugden op, namelijk Gods alwetendheid en almacht.

Wanneer wij als mensen geschiedenis schrijven, kunnen we pas achteraf vertellen wat er is gebeurd. Wij zijn toeschouwers, al zijn we in een bepaalde periode van de geschiedenis ‘medespelers’ op het wereldtoneel. Maar wij hebben de tijd en de gebeurtenissen niet in de hand, kunnen niet vooruitzien en kennen de gedachten niet die de leiders van deze wereld koesteren. Laat staan dat we inzage hebben in de wereld van de geesten in de lucht en in de overleggingen van de duivel en zijn metgezellen. Voor ons als mensen ‘gebeurt het’. Dat is bij de HERE anders. Hij doet gebeuren. De HERE leidt het hart van de koning om als een waterstroom, die je ombuigt om een akker van water te voorzien, zegt de bijbel. De HERE kent de gangen van de duivel en de HERE ziet ook van tevoren wat er gebeuren gaat. Hij is alwetend. Dat wil zeggen: de HERE schrijft de geschiedenis niet maar pas achteraf, maar Hij schrijft de geschiedenis letterlijk. Wat er in de wereld gebeurt en hoe de afloop daarvan is, dat bepaalt de HERE. Dat maakt de kerk in verdrukking en vervolging rustig en zeker. Net als het hart van de gelovige. De HERE weet wel wat er leeft. Hij kent onze gedachten en heeft onze nieren gevormd. Niets is voor Hem verborgen. Maar dat betekent dan ook, dat de HERE weet welke weg ik moet gaan om bij Hem in het volle licht van Zijn heerlijkheid aan te komen. Deze God is de Bron van al het goede!

Als vierde deugd noemen de Dordtse Leerregels Gods almacht. Niet alleen weet de HERE alles. Hij kan ook alles. De HERE kan verkiezen, omdat de machten van zonde en dood Zijn keus niet onmogelijk kunnen maken. Het slot van Romeinen 8 is de jubel van alle kinderen van de HERE die mogen bouwen op hun almachtige God en Vader. Wij nemen vaak beslissingen die we later bij moeten stellen omdat de omstandigheden veranderd zijn of omdat ons inzicht is gegroeid. De tijd en de cultuur kunnen zich wijzigen. Maar Gods almacht maakt, dat wat voor ons verrassend anders kan zijn, Hem niet van Zijn plannen en raad afbrengt. Hij stuurt onveranderlijk en volkomen wijs, met Zijn almachtige en tegenwoordige kracht de wereld naar Zijn doel toe. En deze God ziet mij, kleine en afhankelijke, broze en sterfelijke mens in liefde aan. Mijn naam heeft Hij in Zijn handpalmen geschreven en wordt door Christus als Hogepriester zonder ophouden voor de troon van God gebracht. Dat te mogen vasthouden is het grootste goed voor een christen. Want dat draagt door de diepten heen en geeft uitzicht in het donkerste dal. Wat er ook verandert, Gods keus staat vast!

 

 

Zekerheid – uit de vrucht als gave (1)

 

“Evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen.” (Luk. 10: 20)

 

Bij de behandeling van artikel 11 uit het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels hebben we aan het eind stilgestaan bij de zekerheid van de verkiezing. Die zekerheid ligt uiteindelijk in Gods keus. Wat God besluit, staat onveranderlijk vast en wordt ook onveranderlijk uitgevoerd. Wat God weet alles en God kan alles. Dat is de troost van Zondag 9: “want Hij kan dit doen als een almachtig God en Hij wil het ook doen als een trouw Vader”. Zo mogen gelovigen het anker van het geloof naar boven uitwerpen en vasthaken in Gods onveranderlijke beloften. Niet het geloof zelf is de zekerheid van de uitverkiezing, maar door het geloof mag ik me zeker weten van wat God wil en kan.

Het komt er hier op aan zorgvuldig te blijven spreken en formuleren. En de volgorde te blijven hanteren die ook de Dordtse Leerregels gebruiken. Die volgorde begint in artikel 3, wanneer er gesproken wordt van Gods roep tot bekering en geloof door de prediking van het evangelie. We zouden kunnen zeggen dat we door de verkondiging van het evangelie worden uitgenodigd om in te gaan tot het Koninkrijk. Dat is voor de één een boodschap die het hele leven verandert en voor de ander een oproep die hij achteloos laat liggen. Kortom, bij sommigen werkt dat uit, dat het hart geraakt en vervuld wordt van blijdschap en verlangen om daadwerkelijk deel te nemen aan het volgen van de Here Jezus. Ze laten er alles voor liggen en jagen ernaar om er niets van te missen, terwijl anderen er koud onder blijven. Dat is een te ervaren onderscheid tussen geloof en ongeloof. Maar het is meer, zoals de Dordtse Leerregels ons willen voorhouden. Het is namelijk ook het te ervaren onderscheid tussen verkiezing en verwerping. De één bereidt zich voor en verheugt zich op het moment van de ontmoeting met Jezus Christus, de ander toont er geen enkele belangstelling voor. De één haast zich om het onheilige uit zijn leven weg te bannen en zoekt onder tranen zich van zonden te bekeren, de ander geeft zich aan een God vijandige levensstijl helemaal over. Dat is te zien. Dat is te merken en te ervaren. En het is die ervaring waar de Dordtse Leerregels in artikel 12 van spreken. Het ware geloof in Christus, het kinderlijk ontzag voor God, de droefheid naar Gods wil over de zonde en de honger en dorst naar de gerechtigheid zijn voorbeelden van wat de gelovige van zijn verkiezing mag ervaren. Er gebeurt wat in zijn leven. Ja, het leven zelf komt in een ander licht, een ander perspectief en een andere dimensie te staan. En dat is nu de vrucht te noemen van het wondere werk van de Heilige Geest, die het hart van de mens vordert en het vol maakt van Jezus Christus.

Is dat altijd even zeker en even blij? Nee, er zijn soms momenten dat je erbij stilstaat dat er een tijd geen echt geestelijk leven bij je is geweest. Er zijn soms eye-openers en one-liners die je met een schok tot de ontdekking brengen dat je leven drastisch moet veranderen. Het blijft een bevestigen van je verkiezing met vrezen en beven, zoals de apostel dat leert. Artikel 12 heeft het bepaald niet over een stappenplan, over achtereenvolgende fasen die de gelovige in zijn leven doorloopt. De Dordtse Leerregels beschrijven de worsteling van elke dag. De strijd van de gelovige die tijden kent van geloofsmoed en van lauwheid, van kracht en van oppervlakkigheid. Daarom weten we ook wel, dat de zekerheid van de verkiezing niet in het geloof zelf ligt. En toch mogen we door het geloof zeker zijn. Want we zijn genodigd en God geeft, dat we die nodiging graag aangrijpen. Dat ons hart treurt over onze zonden en vol vreugde de Bruidegom ziet naderen. En die gave maakt, dat we zeker zijn van een verkiezend God, die niet de dood van de zondaar zoekt, maar zich verheugt in het leven.

 

Zekerheid – uit de vrucht als gave (2)

  

“En het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe” (Mc. 4: 27)

 

De tekst hierboven komt uit het evangelie naar Marcus. De Here Jezus vertelt in een gelijkenis hoe het koninkrijk als een mens is, die zaad werpt in de aarde. Het proces van groeien is voor ons verborgen. Er komt een halm, een aar en daarna komt het volle koren in de aar. Dat gebeurt, zonder dat de zaaier kan ontdekken wat nou precies de groeikracht is. Leven geven kan een mens niet. Het leven zelf blijft voor ons namelijk een mysterie, dat we niet maken kunnen. Dat geldt ook voor het geestelijk leven, dat immers door dezelfde Geest gewekt en gewerkt wordt. Niet na te rekenen dus.

De Dordtse Leerregels waarschuwen ons daarom deze verborgenheden van God nieuwsgierig te gaan onderzoeken. Er zijn soms aanvechtingen om het zaad op te graven en langs de maat van menselijke meetkunde te onderzoeken. Het valt soms tegen, in welk tempo de groei plaats vindt. Het is soms lang wachten voor er vruchten zijn. (Groot)ouders en ambtsdragers weten ervan mee te praten, als het gaat om het verlangen dat een volgende generatie of bepaalde adressen er blijk van geven de HERE te kennen. Het kan jaren achtereen zo zijn, dat op de kerkenraad gerapporteerd moet worden dat er ergens weinig groei te merken valt. En plotseling is het er. Waar het vandaan komt? Van de HERE, die op Zijn tijd en op Zijn wijze in het leven van Gods kinderen vruchten geeft op een opvoeding, een catechese en een huisbezoek. Soms ook blijft het weg. Dat blijft verdrietig, omdat we de verborgenheden niet kennen en een hart niet echt kunnen peilen. Maar het blijft zaaien en wachten. Dat is regel in Gods Koninkrijk.

Nog even terug naar die aanvechting om te onderzoeken. Het gaat daarin niet zozeer om anderen, maar vooral om onszelf. We zijn zelf graag zeker van een plaats bij God. We willen graag vrucht dragen en uit die vruchten zekerheid putten. Maar het geloofsleven kent niet alleen sterke momenten. Het kent ook tijden van diepe verslagenheid en matheid. We kunnen met Paulus uitroepen: “ik vermag alle dingen door Hem die mij kracht geeft”. Maar we kunnen ook met Jeremia klagen dat we geen uitkomst meer zien. Ook dan is er soms een sterke drang om onszelf te onderzoeken. Niet – of wij in het geloof zijn. Maar of het geloof in ons is. Dan zoeken we bewijzen om ons daaraan over te geven. En dan is het soms verleidelijk om de toevlucht tot een stappenplan te nemen. Een fase-leer te ontwerpen. Alsof de Here Jezus in Marcus 4 spreekt over halmen, aren en koren. En de één een halm is. Een ander een aar. Een derde vol vrucht. Maar zo is het niet. Het gaat daar om de verborgen groeikracht, die tenslotte zal uitwerken wat er in beginsel al is. Want waar de HERE werkt, daar komt leven. De één heeft niet een helft en een ander tweederde ontvangen. Het zaad wordt gelijkelijk gestrooid en het Woord wordt aan iedereen verkondigd. Zonder onderscheid wordt hetzelfde aangeboden. In het hoofdstuk over de volharding (hoofdstuk V, DL), wordt gesproken over de tijd waarin de zekerheid ons ontbreekt. Hier gaat het om de dwaling, dat de HERE verschillende ‘aanbiedingen’ doet. Daar is geen sprake van. Ondubbelzinnig spreekt de HERE in Zijn Woord uit, dat wie de Zoon heeft ook het leven heeft. Wie gelooft, die is behouden!

 

Zekerheid – uit de vrucht als gave (3)

 

“In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.”(Ef. 1: 5-6)

 

Wanneer in artikel 12 van het eerste hoofdstuk uit de Dordtse Leerregels wordt gesproken over de zekerheid die gelovigen mogen hebben uit hun geloofservaring, dan leidt dat niet tot een oppervlakkig en onverschillig leven. Dat is namelijk de aanklacht van de Remonstranten tegen de gereformeerde leer van de uitverkiezing. Het zou tot zorgeloosheid leiden en mensen van een heilig leven afhouden. De zekerheid over Gods uitnodiging zou lauwe genodigden maken, die zich immers geen zorgen meer hoeven te maken over de vraag of ze genodigd zijn. Een heel herkenbaar thema, dat ook in de catechismus wordt behandeld (Zondag 24 HC). Daarom spreken de Remonstranten van onzekerheid over de verkiezing en over Gods keus, die ongedaan gemaakt kan worden door de onwil van gelovigen. Zo blijft er de prikkel om te ‘jagen’ en te ‘streven’ en om de verkiezing te ‘bevestigen’, zoals de Schrift zegt. Want als een mens onzeker blijft, blijft hij ook zijn best doen. Zekerheid is dodelijk voor een vruchtbaar geloofsleven. Althans, dat stelden de Remonstranten.

Als het erop aankomt, doet deze Remonstrantse leer op een haast blasfemische manier tekort aan Gods grootheid en kracht. Het lijkt misschien wel vroom om te zeggen dat een mens moet blijven jagen naar de gerechtigheid, maar dat doet die mens helemaal niet als hij niet door God zelf wordt vastgegrepen en voortbewogen. Alles, maar dan ook werkelijk alles komt bij God vandaan. Zowel de rechtvaardiging als de heiliging en heerlijkmaking. En het kan dan ook niet anders, zoals de catechismus zegt, of ieder die door waar geloof in Christus is ingeplant, brengt vruchten van de dankbaarheid voort. Dat komt met de gave mee. Dat is in het geschenk van Gods liefde meegegeven. God houdt het om zo te zeggen niet bij de nodiging, maar nodigt met een kracht die niet te weerstaan is. Het raakt het hart van de mens zo, dat hij zich afkeert van alles wat God verdriet doet en vertoornt. Dat is de wedergeboorte, die andere mensen tevoorschijn brengt. Mensen, die niet meer bedacht zijn op het vluchtige en lege genot van het aardse, maar mensen die het hemelse zoeken en betrachten. Wie in Christus is, die is een nieuwe schepping en gaat God loven. Dat kan niet anders. Want het zaad van het koninkrijk werkt dat uit. En als dat het niet uitwerkt, dan is er geen sprake van onzekerheid over Gods uitnodiging maar van ongeloof bij de genodigde.

Dat er in het leven van gelovigen perioden kunnen zijn waarin de vruchten niet zo sterk worden opgemerkt, dat weten de opstellers van de Leerregels ook wel. Ze spreken daar in artikel 16 van het eerste hoofdstuk en in het laatste hoofdstuk uitvoeriger over. Maar waar ze in artikel 13 een streep door willen zetten is de gedachte, dat er iets aan Gods geschenk zou kunnen ontbreken. Dat het zaad dat gezaaid wordt ondeugdelijk zou zijn. Dat het geschenk van het geloof de zaligheid niet kan werken zonder medewerking van de mens. Want dat maakt God afhankelijk van onze instemming. Dat berooft de HERE uiteindelijk van de eer, die Hij waard is te ontvangen als mensen de poorten van de lichtstad doorwandelen. Want zij zijn daar volgens de Remonstranten dankzij hun eigen volharding en wilskracht gekomen. Ze hebben het dus aan zichzelf te danken dat ze de bruiloft mee mogen vieren. Want God heeft niet meer gedaan (!) dan uitnodigen, in afwachting van onze keus om die uitnodiging te aanvaarden en de pelgrimsreis te beginnen en vol te houden. Dat is lijnrecht in tegenspraak met wat er in Filippenzen 2 vers 13 staat: “want het is God die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt.” Zowel het willen als het werken! Het kan dus niet anders, of waar geloof werkt dankbaarheid uit. Bij God is namelijk niets onzeker.

 

Zekerheid – uit het Woord van de Gever (1)

 

“Haar hebben wij als een anker der ziel” (Hebr. 6: 19)

 

De schrijver van de Hebreeënbrief heeft het over de hoop die voor ons ligt, omdat de onveranderlijke God zijn besluiten in de tijd uitwerkt. Dat is ook de grond voor de zekerheid van de verkiezing. Een grond, die niet in de mens ligt of in zijn vrije wil om te kiezen, maar in de HERE. Hij besluit om zondaren te kiezen, hun het geloof te schenken en zekerheid te geven door hen in hun hart aan te spreken met het Woord. Wat in de voorgaande artikelen gezegd en beleden is, verklaren de Dordtse Leerregels in artikel 14 van hoofdstuk I uit het gehoorzaam naspreken van wat de HERE zelf heeft gezegd.

Er wordt tegenwoordig wel beweerd dat er zoveel ‘honger’ naar God is en de wereld reikhalzend naar het evangelie uitziet. Dat is, gesproken naar wat de HERE daarover zegt in Zijn Woord, een pertinente leugen. Mensen zijn niet op zoek en hongeren niet naar het evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd. Waar dit soort beweringen opklinken is het evangelie over het algemeen geminimaliseerd en verdraaid tot een sociale boodschap van liefde tot alle mensen. Inmiddels blijkt dat in de kerken waar we vroeger deel van uit mochten maken ook tot de kansel doorgedrongen te zijn. Dat verklaart ook de hedendaagse missionaire bewogenheid, die zich niet richt op de woordverkondiging, maar op de actuele noden van de hoorder. Die noden liggen op het vlak van sociale armoede en eenzaamheid in een wereld die steeds groter wordt, naarmate grenzen vervagen. Maar die nood heeft met zonde en schuldbesef niets te maken. Even afgezien van het feit, dat door dit ‘evangelisatie-arbeid’ mensen niet bij Christus worden gebracht, gaat het ook uit van een onbijbels mensbeeld en berooft het de HERE van Zijn eer.

Want ‘hongeren naar de gerechtigheid’ is een hongeren dat de HERE wekt. Hij wekt een honger naar het Woord in het hart van de mens. Dat doet Hij niet krachtens een ‘algemene genade’ maar door middel van de woordverkondiging. Waar de oproep tot berouw en bekering klinkt, daar werkt de Geest verslagen harten, die zich troosten aan de onwankelbare en onveranderlijke beloften van God. Zó is de leer van de verkiezing tot een onuitsprekelijke troost voor gelovigen. Want zelf het besef, dat hun ‘hongeren’ zich vaak niet laat voelen door alle overvloed en weldaad die we in dit leven mogen genieten, weerhoudt hen niet om zich aan de hoop als een ‘anker der ziel’ vast te hechten. Zelfs het verlangen naar de tegenwoordigheid van God en de gemeenschap met Christus, wekt en werkt de HERE Zelf. Dat maakt deel uit van Zijn onveranderlijk voornemen om een vast aantal mensen uit heel het menselijk geslacht te redden. Wie daar op welke manier dan ook niet alle nadruk op laat vallen, doet God tekort. En hij berooft zichzelf van de zekerheid van het eeuwige leven. Want ook als het om ‘honger’ gaat zou dit als voorwaarde kunnen gaan gelden om zalig te worden. Dan zou je als mens kunnen zeggen: “ik honger wel, maar krijg ik de genade ook”. Terwijl juist het ‘hongeren’ al genade is!

De HERE heeft Zichzelf bekend gemaakt als een verkiezend God, die barmhartig en genadig is. Er is geen enkele aanleiding om mensen te kiezen dan alleen maar het besluit van God zelf, dat Hij in vrije wil genomen heeft. Zo komt de HERE – en Hij alleen – in het brandpunt te staan van de geschiedenis van hemel en aarde. Alle roem is uitgesloten. Zelfs de roem dat ik mezelf als arm heb leren kennen! De prediking zal ons daar dan ook elke keer weer aan ontdekken, wil de verkondiging naar de zin en de mening van Gods Geest zijn.

 

Zekerheid – uit het Woord van de Gever (2)

 

“O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijke zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!”(Rom. 11: 33)

 

Wanneer er aan de ene kant zoveel artikelen nodig zijn om duidelijk te maken dat de HERE verkiest en er aan de andere kant steeds weer gezegd moet worden dat veel daarvan voor ons verborgen is gebleven, zou het dan maar niet beter zijn om te zwijgen over deze moeilijke onderwerpen?

Dat is een vraag die ons waarschijnlijk wel uit het hart gegrepen is. Niet alleen, omdat de leer van de uitverkiezing inderdaad vaak moeilijk te begrijpen is. Maar vooral, omdat dit onderwijs vaak moeilijk te aanvaarden valt. Soms drukken we het wat weg, als we kinderen of ouders, collega’s en vrienden een weg zien bewandelen waarbij we de vraag hebben of die nu wel naar de HERE toe brengt. Waar we zelfs soms van moeten zeggen dat die levensgang niet anders kan betekenen dan dat ze van de HERE af voert. Dan komen de vragen rond verkiezing en verwerping op. Dan knaagt de stille pijn en leeft het gebed op. We zien als mens als het erop aankomt vaak maar zo machteloos toe. Is het dan niet bevrijdend om al die moeilijke vragen van ons af te schudden en maar zo eenvoudig mogelijk van dag tot dag te leven? Je kunt beter onwetend zijn dan met allerlei lastige vragen te worstelen waar je toch geen antwoord op krijgt.

Daarover spreekt artikel 14 van het eerste hoofdstuk. God heeft zich aan Zijn volk nu juist bekend gemaakt als een verkiezend God. Als een genadig en barmhartig God, die niet verloren laat gaan maar naar zijn verkiezend voornemen in Christus mensen redt. Het hoort om zo te zeggen bij het God zijn van de HERE. En daarom mogen we er niet over zwijgen, alsof het hier iets betreft waar we het maar liever niet over hebben als we over de HERE spreken. Integendeel, juist in deze dingen komen de liefde, de trouw, de majesteit en de heiligheid van de HERE naar voren. Juist hier komt de lof op, op een God die niet verloren doet gaan maar Zijn Zoon gezonden heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft eeuwig leven hebbe. Zo mogen we de bijbel ook lezen, als het spoor van een verkiezend God die de eeuwen door mensen uit hun duisternis haalt en ze naar het licht roept. We zien Abram op reis gaan en we zien een volk uit Egypte trekken. Die verlossende daden zijn het gevolg van de verkiezing. Terwijl God geen onrecht had gedaan as Hij heel de mensheid in zijn eigen verlorenheid had laten liggen, trekt Zijn verkiezende barmhartigheid een lichtend spoor!

Wanneer we liever zwijgen over de verkiezing, komt dat niet omdat we God graag loven. Dat komt omdat we moeite hebben met Gods beslissingen. Omdat we als Job met de HERE in discussie gaan, stilzwijgend of publiek. Maar dat heeft als diepste oorzaak dat een mens blijft denken dat iedereen recht op verlossing heeft – en zeker zij die ons zo lief zijn. Dan raken we het schuldbesef kwijt en verliezen we de diepe ootmoed voor een heilig God, die zondaren zalig maakt. Dan doven we de blijde glans in onze ogen, als we de Schriften onderzoeken en mogen stamelen dat de HERE een genadig God is. Als we bij het kruis staan en het bloed langs die ruwhouten paal zien druppelen. Gods verkiezing doet de Zoon roepen: mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten! Dat zijn wonderen. Dat zijn onbegrijpelijke dingen. Maar dat mag ons niet tot zwijgen brengen. Integendeel, dat brengt tot de lofzang tot eer van Hem, die ons zo uitnemend heeft liefgehad.

 

O God, die nimmer mij verlaat

U zult mij leiden door Uw raad

En dan, hiertoe door U bereid,

Neemt U mij op in heerlijkheid.

 

Duizend, duizendmaal o Heer, zij U daarvoor dank en eer!

 

 

God heeft ons lief – oorzaak (1)

 

“Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat” (Mal. 1: 2)

 

Met artikel 15 uit het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels staan we voor één van de diepe en onbegrijpelijke beslissingen van de HERE. God is een God, Wiens gedachten hoger zijn dan die van ons. Hij zegt, dat Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen (2 Petr. 3: 9). Maar Hij gaat ook mensen voorbij, die weigeren Hem te volgen. Hij laat ze in hun zonden en geeft ze over aan hun verlorenheid. Het is in de actualiteit van vandaag nodig om te belijden, dat de Here Jezus niet van alle mensen houdt. Of, zoals sommigen tegenwoordig willen, dat niet iedereen mijn ‘broeder en mijn zuster’ is. Wie de Zoon niet heeft, blijft in het oordeel (Joh. 3: 36).

De Dordtse Leerregels spreken op een uitzonderlijk tere manier over deze moeilijke dingen. Ze brengen het heel dichtbij. Niet in de verschrikking, maar in de troost van de belijdenis. Zodat het levend wordt en leven gaat. Want één van de eerste woorden die de Leerregels noemen is het “voorrecht” van de gelovigen, vanwege de uitzonderlijke en onverdiende genade van de uitverkiezing. De belijdenis leert ons anders te kijken. Ze zeggen eigenlijk: dat er mensen in hun ongeloof verloren gaan, dat is te begrijpen. Maar het onbegrijpelijke is nu juist, dat er nog mensen verkozen worden. Zó zetten de Dordtse Leerregels de leer van de ‘dubbele predestinatie’ in. De leer, waarin niet alleen van Gods besluit om te verkiezen wordt gesproken, maar ook van Gods besluit tot verwerping. En die toon is de toon, waarop ook een tekst uit Maleachi 1 klinkt. De toon van de liefde en de Vaderlijke warmte in de uitnodiging, om Zijn genade niet langer af te wijzen.

Er wordt ons in artikel 15 dus niet zozeer duidelijk gemaakt, waarom anderen verloren gaan. Dat oordeel is ook niet aan ons. De bijbel – en dus ook de belijdenis blijft daar ver van. Het is ook al even aan de orde geweest in artikel 1. Daar staat namelijk dat God geen onrecht had gedaan als Hij iedereen aan vervloeking en zonde had overgelaten. Als Hij de mensen aan hun eigen gekozen verderf had overgegeven. Dat is ook de achtergrond van Johannes 3 vers 36. Ook wij zouden in het oordeel blíjven, als we de Zoon niet aangrijpen. Dat oordeel is er dus al. Want de mens heeft zelf al gekozen. Tegen de donkere achtergrond van mijn onwaardigheid en zondaar zijn, licht nu het leerstuk van de verkiezing des te scherper op. Een onbegrijpelijk voorrecht is het, te mogen schuilen bij de HERE en onder alle omstandigheden te mogen zeggen, dat we Vader erbij mogen roepen. Dat is de grote en dragende kracht van ons dagelijks leven als lof- en dankoffer aan de HERE. We zijn uit het duister weggeroepen naar het wonderbare licht van Zijn genade. Uit de dood heeft Hij ons opgetrokken naar het leven.

Bij Israël was er van een dankbaar leven in de dagen van Maleachi niet veel te zien. De profetie is een aanklacht tegen Gods volk. Niet zozeer een veroordeling van Israëls vijanden. Het gaat in Maleachi 1 niet om de verwerping van de tegenstanders, maar om het ontbreken van dankbare verwondering bij de kinderen van God. Israël moppert. Het is ontevreden en onverschillig aan het worden. Want het verliest het voorrecht uit het oog, dat de HERE het uit alle andere geslachten van de aardbodem heeft verkozen om Zijn eigen volk te zijn. Israël voelt zich verlaten, nu Nehemia is teruggegaan naar Perzië en stad en tempel er nog steeds als ruïnes bijliggen. Het kijkt om, zoals in de dagen van Egypte. Want het heeft het min of meer veilige leven in Assur en Babel en andere landen opgegeven om terug te keren. Het leefde met de gedachte en de belofte dat zijn lijdenstijd volbracht was (Jes. 40). Maar die verwachting ebt weg, als ze weer in het beloofde land zijn aangekomen. Wat stelde de omvang van de kerk en het verval hen teleur! Was dat het nou – uitverkoren volk van God te zijn? Dat is een vraag we vandaag denk ik ook wel eens mee kunnen worstelen. Zien we het voorrecht nog, dat de barmhartigheid van God elke dag nieuw is? Groot is uw trouw (Klaagl. 3: 23)!

 

God heeft ons lief – oorzaak (2)

 

“Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat” (Mal. 1: 2)

 

Israël had veel verwachting van zijn terugkeer naar het beloofde land. Het is uit Perzië vertrokken in de hoop, dat nu spoedig de beloofde glorietijd zou komen, waar de HERE door de dienst van bijvoorbeeld Jesaja zo troostend over heeft gesproken. Maar het viel tegen. De stad en de tempel waren geruïneerd en het land was verwoest, terwijl vreemden inmiddels hun woonplaats hadden. Het aanvankelijk enthousiasme ebde daarom al snel weg. Waar dat toe leidde, lezen we in Maleachi 2 en 3: onzuivere offerpraktijken en gemengde huwelijken. De bijdrage voor de tempelbouw werd weggehouden. De dienst aan de HERE bracht in de ogen van de teruggekeerde ballingen geen winst. Ze zagen geen merkbaar resultaat.

Die houding van het volk is herkenbaar. In de geschiedenis van de kerk heeft dat altijd weer geleid tot activisme enerzijds en passieve diensweigering anderzijds. Wie uit het oog gaat verliezen, dat we door Gods genade nog in Zijn dienst mogen staan en naar Hem toe mogen leven, gaat het vroeg of laat van de aardse zegeningen verwachten. Het zijn niet alleen de Dopersen die drijven om het Koninkrijk gestalte te geven. Het kunnen ook gereformeerden zijn, die bijvoorbeeld de missionaire activiteit boven gehoorzaamheid aan het Woord stellen. In al dit soort denken en drijven maakt de mens God geschikt om dienst te doen in de samenleving. Dat is een harde waarheid en een verschrikkelijke uitspraak. Maar het blijkt heel erg moeilijk om te leven naar wat Micha 6 vers 8 ons voorhoudt. Daar leren we dat God de mens geschikt maakt om dienst te doen in Zijn Koninkrijk. Dat gebeurt door het luisteren naar het Woord. Want dat is het middel in de hand van de Heilige Geest door Wie de Here Jezus zijn gemeente regeert. Niet alleen Israël heeft daar weinig van begrepen. Juist daarom is het zo leerzaam en blijft het nodig om het leerstuk van de verkiezing steeds weer naar voren te brengen.

Kijk eens naar Ezau, zegt de HERE tegen Zijn volk. Was Israël niet de jongste? Ezau was de sterkere en de erfgenaam. Naar zijn geboorte en natuur had hij de eerste rechten. Toch is God hem voorbijgegaan en heeft Hij Jakob vooraan gezet. De HERE wil daarmee tegen Zijn volk zeggen, dat het alleen door genade geworden is wat het is. Zo staat dat ook in Deuteronomium 7. Niet vanwege zijn kracht, zijn omvang of zijn liefde is Israël Gods gunsteling geworden. De oorzaak daarvoor ligt alleen in Gods vrijmachtig en verkiezend welbehagen. Dat Israël het leven heeft gekregen en behouden is niet aan het volk te danken. Maar het volk ziet dat niet. Het moppert en klaagt dat de dienst aan de HERE hard is. Het is alsof een ter dood veroordeelde na ontvangen gratie klaagt over een te kleine huisvesting! Het zijn de gunstbewijzen des HEREN dat wij niet omgekomen zijn. Want Zijn barmhartigheden houden niet op. Elke morgen zijn ze nieuw. Groot is Uw trouw! (Kl. 3: 22-23). Zo is de Zoon uit de hemel afgedaald en is het Woord vlees geworden. Aan het kruis heeft Hij in gehoorzaamheid tot de dood toe gehoorzaam gediend en alles geleden wat de mens God schuldig was. Wij hebben er als mensen geen vinger naar uitgestoken en er niet het minste in bijgedragen.

Het is beschamend, dat mensen met die vrijheid omgaan alsof ze haar zelf verdiend hebben. Dat mensen die vrijheid invullen door de door God gestelde grenzen op te rekken en een evangelie preken, alsof de HERE zich erover mag verheugen dat er nog mensen te vinden zijn die Hem lief willen hebben. Om dan hun levensstijl maar op de koop toe te nemen. Miserabel misschien. Maar zeker niet censurabel, zoals dan gezegd wordt. Het Woord van God, dat vrijheid en genade aankondigt voor wie de Zoon gelooft, is het woord van de kerk geworden. Maar herinnert de kerk zich haar eigen doodsheid dan niet? Is het niet juist de kerk, die steeds weer verklaart dat zij ‘midden in de dood’ ligt? En toch: “Ik heb u liefgehad” zegt de HERE. Genade Gods – oneindig groot!

 

God heeft ons lief – bewijs (1)

 

“Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat” (Mal. 1: 2)

 

 

Kijk eens naar Ezau, zegt de HERE tegen Zijn volk, dat twijfelt of het wel in Gods gunst staat en wat de liefde van de HERE betekent. Kijk eens naar Ezau. Hem ben Ik voorbijgegaan. En inderdaad, het is het grote wonder van Gods genade, dat Israël is opgeraapt en uitgered. We hebben er de vorige keer uitvoerig bij stilgestaan. Israël moet omkijken om zich zijn geschiedenis te herinneren en opkijken om de trouw van Gods grootheid boven zich te zien stralen. Alleen, er staat niet: kijk eens naar Mij. Er staat: kijk eens naar Ezau.

Toen Ezau bij zijn vader Izaäk is weggetrokken is hij gaan wonen in het Zuiden van het land. Nog onder de Dode Zee, in het land Seïr. Een woest bergland, dat bewoond werd door de Horieten. De handelsroute richting Syrië liep door dit land heen. Ezau heeft de Horieten verslagen en verdreven, lezen we in Deut. 2: 5 en 12. Dat deed Ezau niet op eigen kracht, maar met Gods hulp. Maar hij toonde zich weinig dankbaar. Want de Edomieten (nakomelingen van Ezau) vereerden Baäl, Hadah en Kusj. Tussen Jakob en Ezau loopt de scheidslijn die we eerder in de bijbel zijn tegengekomen: de scheidslijn tussen geloof en ongeloof. Het is de lijn van Kaïn en Lamech. Zo namen Ezaus nakomelingen afstand van de God van Abraham, Izaäk en Jakob. De broers en de geslachten na hen werden vijanden van elkaar. Dat is door de Schrift heen ook te zien.

Ezau versperde het volk ten tijde van Mozes de doorgang richting het beloofde land. Een vijandige houding, die we ook later tegenkomen. Saul verslaat de Edomieten (1 Sam. 14). Korte tijd later dringen ze verraderlijk het land binnen en worden door Abisai, de legeraanvoerder van David, bij het Zoutdal verslagen. In 1 Koningen 11 is het Joab die een waar bloedbad onder hen aanricht. De koning van Edom vlucht zelfs naar Egypte om zijn leven te redden. Zo komt Edom onder de macht van Israël en gebruikt Salomo de zeehavens van Edom om zijn macht en rijkdom te vergroten. Tot koning Joram regeert. Dan schudt Edom het juk van Jakob van zich af. Als het door Amazia opnieuw wordt onderworpen, knoopt het vriendschappelijke betrekkingen aan met het wereldrijk Assur. Het houdt zelfs strooptochten in het gebied van Israël. Het drijft ook de spot met zijn broeder, als Israël in ballingschap gaat. Obadja: 11-14 spreekt van de hoon en minachting op de toonhoogte van Psalm 137: 3. Zo gedroeg Ezau zich ten opzichte van Israël. Het onderwierp zich niet aan wat de HERE had gezegd, namelijk dat de oudste de jongste dienstbaar zou zijn. Ezau zocht het in eigen kracht. En het leek daardoor sterk te staan. Maar in de dagen van Maleachi was het door grotere machten ingelijfd als een provincie van Zuid-Judea en staat het op het punt verwoest te worden door een ons onbekende nomadenstam. Zo verdwijnt Ezau als land van de kaart.

Wat is nu de les van deze geschiedenis? Het is de les van Psalm 73. Je kunt kijken naar de voorspoed van de goddeloze. Of naar zijn tegenspoed. Je kunt letten op je eigen voorspoed (Psalm 128), of naar je tegenspoed. Maar zolang je horizontaal blijft kijken, kom je er niet uit. Kijk eens naar Ezau, zegt de HERE, tegen een volk dat bij de puinhopen van zijn eigen opstand tegen God is aangekomen. Kijk eens horizontaal. Ezau staat er precies hetzelfde voor. Zo had het voor jullie ook af kunnen lopen. God had geen onrecht gedaan als Hij héél het menselijk geslacht verworpen had. Maar over jullie heeft Hij zich ontfermd. Is dat geen genadewonder? Is het niet ondankbaar, om het voorrecht te vergeten, dat je leven hebt en leven mag? Wat hebben jullie dat Ezau niet heeft? Of wat hebben jullie anders gedaan dan Ezau? Hebben ook jullie de vreemde goden niet vereerd en dragen jullie de zonden niet net zo goed in je hart? Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. De verlossing is van God. En van Hem alleen. Want er is niets in een mens dat God zou zeggen: hij is het waard om gered te worden.

 

God heeft ons lief – bewijs (2)

 

“Toch heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat” (Mal. 1: 2)

 

De vorige keer heb ik iets mogen schrijven over de houding die Edom (Ezau) ten aanzien van zijn  broer Jakob (Israël)  heeft aangenomen. De HERE deelt er ons in Zijn woord veel over mee. In de zogenaamde apocriefe boeken, lezen we hoe de naam Edom uiteindelijk in Idumea is veranderd (1 Makkabeeën 5). Johannes Hyrkanus dwingt de Idumeërs tot besnijdenis en lijft hen in, in het stamgebied van Judea. Dat is het laatste wat we er van horen. Hoewel de bekende familie Herodes in de tijd van het Romeinse Rijk natuurlijk een vooraanstaande positie had weten te veroveren. Maar na de val van Jeruzalem (70 na Chr.) komt de naam in de geschiedenisboeken niet meer voor. Edom wil niet buigen. Het wil zich niet schikken onder Gods rechtsgang en gunt Jakob de erfenis niet. Dat ligt aan de verwoesting van Edom ten grondslag. Hoewel ook Ezau rijke beloften had ontvangen, heeft het de gunst van de HERE niet gezocht. Daarom heeft God besloten het voorbij te gaan. En zo formuleren de Dordtse Leerregels het in artikel 15 van het eerste hoofdstuk dan ook: “Dit is het besluit van de verwerping, dat God beslist niet maakt tot de bewerker van de zonde – dat is een godslasterlijke gedachte! – maar dat Hem stelt tot de ontzagwekkende, onberispelijke en rechtvaardige Rechter en Wreker ervan.

Het wonder van Israëls behoud ligt dus niet in de verwerping. Want dat heeft de mens aan zichzelf te wijten. De oorzaak voor de verwerping is het ongeloof van de mens en de onwil om zich onder Gods geboden te schikken en lief te hebben. De Catechismus zegt tegen de achtergrond daarvan, dat de HERE blijft eisen wat hij heeft gevraagd, ook als de mens de wet niet meer kan houden. Als de mens veranderd is en het hart van de mens niet meer in staat is om lief te hebben, zou de HERE dan de wet maar aan moeten passen? Zou God Zijn eigen Woord en recht op moeten geven? Dat wil Hij niet. Dat kan Hij ook niet. Want God is God. En bij Zijn God zijn hoort, dat een eens gesproken Woord niet teruggenomen wordt. Gelukkig maar. Want dan zou het recht bij de HERE even willekeurig en onzeker worden als bij de mens. En wie zou dan nog zeker kunnen zijn van het behoud? Dat is ook de dwaling waar de Dordtse Leerregels zich met alle kracht tegen verzetten. Het wijsgerig nadenken over de uitverkiezing en de verwerping leidde in die dagen tot een Godsbeeld, waarin de HERE als een veranderlijk God werd voorgesteld. Maar daar hangt de zekerheid van ons heil van af!

Als we van wonderen spreken in het leerstuk van de uitverkiezing, dan hebben we het over de genade dat God niet álle mensen voorbij is gegaan. Zelfs Israël, dat veel een onverschillige en beledigende houding heeft aangenomen, heeft de HERE niet helemaal verworpen. Een rest heeft Hij behouden en teruggebracht. Een vervallen hut van David werd opgericht. Een rijsje uit de tronk mocht tot bloei komen. Want God had bij Zichzelf gezworen dat een volk behouden zou worden. God had beloofd dat de zegen van Abraham tot alle volken zou komen. God had David toegezegd dat zijn huis eeuwig vast zou staan. Het is bepaald niet iets dat in de mens zelf zou wortelen, waarom de HERE de gave van het geloof schenkt en onwillige harten gewillig maakt. Daar is een geweldige kracht voor nodig, om mensen als wij op de weg van het eeuwig heil te zetten. Om levens te veranderen en harten om te keren. Een scheppingswonder. Nieuw leven, dat God weet te dienen en in de heerlijkheid van Hem mag wonen.

Zo zet de HERE tegenover de klacht van Zijn volk de verhoudingen recht. Hij wijst Israël op het voorrecht dat het heeft ontvangen. Op Zijn liefde en trouw. Op zijn onveranderlijke beloften. Wie zou daar niet stil van worden?

Gods liefde – antwoord (1)

 

Als ik u vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn rechterhand mij vergeten. (Ps. 137: 5)

 

De HERE zet in Maleachi 1 de verhoudingen recht. Hij spreekt daarmee ook ons – en meer persoonlijk nog – mijzelf aan. Zie ik in mijn leven het voorrecht nog wel dat ik uit Gods genade uit al die geslachten en volken gegrepen ben om bij Zijn volk te mogen horen? Leef ik met het wonder, dat ik deel mag uitmaken van een volk dat Gods eigendom is?

Het is in ons hart vaak zo, dat we de zegeningen als vanzelfsprekend ervaren en de moeiten bij God neerleggen. Daarbij letten we dan vooral op onszelf. Maar God leert ons in de Schrift steeds weer heel nadrukkelijk naar boven en om ons heen te kijken. Wij zijn arme zondaren, uit genade gered. En dat niet alleen, we worden in Gods volk ingelijfd. We hebben in al het individualisme dus te maken met een Vader en Zijn gezin. Hoe verscheurd ligt dat gezin er op aarde bij! Satan heeft de eenheid uiteen weten te slaan, door het Woord aan te vallen. Dat maakt, dat deze hier en gene daar zijn toevlucht zoekt. Terwijl de HERE toch duidelijk uitspreekt, dat het geloof uit het horen is en het horen door het Woord van Christus.

Dit zeg ik niet om onszelf te rechtvaardigen. Integendeel. Wie meent door zijn kerkkeus Gods genade te verdienen is even ver van Gods gerechtigheid als de Farizeeërs dat waren. Maar het moet wel blijven verwonderen en ontzetten, dat de genadegave van het volk-zijn zo te grabbel wordt gegooid. Wanneer we ons daar namelijk niet meer over verwonderen, dan prijzen we onszelf niet meer gelukkig onder de bediening van het Woord van de Zoon te mogen zitten en gaan we op andere dingen letten. Dan dreigt de houding, waar de HERE Zijn volk in het Oude Testament zo indringend voor waarschuwt. De houding van sleur en van zelfverzekerdheid. Dan gaan we ons bezig houden met de kerk mooi te maken om vervolgens verveeld rond te kijken of we er ook verder “nog iets mee kunnen doen”. Op den duur kan het dan zelfs worden, dat we verzuchten dat de kerk ons “niet zoveel meer doet”. Stel dat de Vader dat gezegd had. Dan was de Zoon niet weg gekruisigd en ik verloren. Wij zijn geen verzameling religieuze enkelingen, maar een volk. Dat voorrecht vraagt elke dag bekering. En als we ons niet meer ontzetten over hoe het gezin van God “erbij ligt”, berusten we in kerkelijke verdeeldheid en vinden we het al gauw goed. Maar dat ook ons schuld aankleeft voor al die gebrokenheid en verscheurdheid, schuiven we dan ver van ons af. Zo mag het niet. God is één. En ook de kerk is één. Dat betekent dat we die eenheid ook werkelijk moeten zoeken, in het samen luisteren naar het Woord.

Nogmaals, het gaat me hier niet om het doorgeven van een stukje uit de kerkleer. Laat ik mezelf eens beproeven of ik uit deze blijdschap leef. Of ik bid om en verlang naar het Jeruzalem Gods. Dat is niet alleen de stad boven, dat is ook de woonstede Gods beneden. Hoe zet ik me in ten behoeve van de gemeenschap? Is Christus in mij levend, die zich voor Zijn schapen gaf? Blijf ik in Hem, als het hoogste goed, de Zoon van Gods liefde? Want dat is het antwoord dat de HERE verwacht: “Omwille van mijn broeders en mijn vrienden spreek ik nu: Vrede zij u! Omwille van het huis van de HEERE, onze God, zal ik het goede voor u zoeken.” (Ps. 122: 8-9). Wat moet er nog veel aan mij afsterven voor ik mijn oude ik kwijt ben!

 

Gods liefde – antwoord (2)

 

Als ik u vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn rechterhand mij vergeten. (Ps. 137: 5)

 

Het leven tot eer van God heeft wel degelijk te maken met de vraag hoe ik naar Zijn volk en zijn huis kijk en daarin mijn plaats inneem. Ofwel: het antwoord op Gods liefde laat zich ook vinden in de trouw waarmee ik de erediensten bezoek, mijn gave tot nut en heil van de anderen besteed (Znd. 21) en meehelp aan de opbouw van de gemeente. Wanneer we daarin bezig zijn treft ons de verscheurdheid en de verdeeldheid van het gezin. Daarin ben ik niet vrij te pleiten, alsof het herstel en de opbouw van Jeruzalem buiten mij om plaatsvindt. Nehemia legde zijn schuld voor de HERE neer, toen hij aan de laatste honderden jaren kerkgeschiedenis dacht: “ook en ik en mijn familie, wij hebben gezondigd!” (Neh. 1).

Dat het volk uit ballingschap mocht terugkeren is bewijs van Gods vergevingsgezindheid en genade. De roep klonk door alle landen heen, om de verstrooide Israëlieten bijeen te brengen. Wat een vreugde zal het in vele harten hebben gegeven, om de kar met huisraad en de gezinsleden in de lange rij mee op te stellen. Om aan te sluiten en mee op te trekken. Vol verwachting! En zo is het met de gelovige vandaag eigenlijk nog. Door (weder)geboorte en doop mogen we in die lange stoet een plek ontvangen. Het Israël, dat de profeten doodt en stenigt wie tot haar gezonden wordt, mag op de Zoon zien. Hij is de weg naar het vaderhuis en de deur naar de troonzaal van Gods genade en majesteit. Onder het kruis klinkt de roep dat de lijdenstijd volbracht is en dat verlosten huiswaarts mogen keren (Ps. 102: 10 [ber.]). We worden door Jezus Christus verzameld als de oogst waar Hij de Eersteling van mag heten.

Zo worden we, meestal van jongs af aan, afgezonderd en van de kinderen van ongelovigen onderscheiden (Znd. 27). Verstaan we die roeping nog? Wie zijn wij, dat we door God in de rijen van Abraham, Mozes, David en Jesaja mogen ingevoegd! Wie zijn wij, dat God ons niet voorbijgaat, maar in Zijn verkiezende liefde nodigt tot de bruiloft. Wat treft het God pijnlijk, als zo’n nodiging wordt afgeslagen of onverschillig ergens wordt weggestopt, om te zien of er later nog tijd voor vrijgemaakt kan worden. Wat doet het God onrecht, als we Zijn liefde afwijzen en het kruis verwerpen. Het is geen wonder dat de HERE in Zijn Woord zo ernstig en indringend wijst op Wie Hij is voor wie Hem niet erkennen. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God! En wat een wonder is het, als we verbaasd merken dat de HERE in ons leven onze verkrampte vingers lostrekt. Want we houden van alles vast dat ons tegenhoudt, Hem tegemoet. We koesteren onze verlangens, onze angst en wanhoop, onze zucht naar zelfbehoud en onze eigengerechtigheid. Er is veel dat God afbreekt en er is veel dat we weer proberen op te bouwen.

Wie zijn wij! Dat mag ook een rijke troost zijn, als we onszelf leren kennen als zondaren, die zich niet tot enig goed schikken. Want God kiest niet de beste, de sterkste, de rijkste, de verstandigste. God kiest wij Hij wil. De oorzaak voor Zijn keuze ligt niet in ons, maar in Hem. Hij zegt: “kind, ik heb je lief. Kom bij Mij.” En nou wij. Nou jij. Nou ik. Heel persoonlijk. Laat satan terugtreden. Laat mijn geweten mij nog zo aanklagen en laten mijn zonden en tekortkomingen nog zo schrijnend voor me staan. Zou ik Hem afwijzen, omdat ik tekort kom? Hij weet dat immers. “Loof de HERE mijn ziel, en al wat in mij is, Zijn heilige Naam!” (Ps. 103). Dat is het antwoord voor wie naar Jeruzalem verlangt.

Onrustig geloof – oorzaak (1)

 

“Want zoals het lichaam zonder de geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood.” (Jak. 2: 26)

 

“Het geloof is een onrustig ding” zei Luther eens. We kunnen ons dat ook wel voorstellen, als we zijn eigen leven voor ogen houden. We kennen het verhaal over zijn voortdurende strijd met de duivel. Op de Wartburg laten ze nog graag de donkere vlek op de muur zien, die is ontstaan omdat Luther zijn inktpot naar de duivel toegooide. Luther heeft veel geschreven over zijn innerlijke aanvechtingen en worstelingen. Voor hem was de duivel heel concreet aanwezig. Daar had hij dan ook het oog op, toen hij zei dat het geloof een onrustig ding is.

Voor deze levende werkelijkheid in het hart van de gelovige hebben de Dordtse Leerregels aandacht, wanneer ze in artikel 16 gaan spreken over de gelovigen die de zekerheid van het geloof in zichzelf “nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken”. In zo’n artikel mogen we onszelf herkennen. Wie denkt met de Dordtse Leerregels in een dogmatisch leerhuis terecht te komen, vergist zich. Het gaat in de belijdenis niet allereerst om een antwoord op dwalingen. Het gaat bovenal om de bewaring en bemoediging van de gelovige zelf. De Dordtse Leerregels spreken daar de Schriften in na, die ons steeds weer mensen laten horen, die in vertwijfeling en onzekerheid zoeken naar de vaste zekerheid dat God niet los laat. “O HERE hoor” en “o HERE vergeef”. “Geef mij een vaste geest die diep van binnen zonder onzekerheid U blijft beminnen.” Zo dragen profeten en psalmdichters hun wankele geloofsleven in de zorg van de HERE op. Het zijn de huisvaders en de huismoeders, de werknemers en de werkgevers, de volwassenen en de kinderen, die naar Gods nabijheid verlangen en die ook begeren te ervaren. Het vragen om bevinding van het geloof is ons door de HERE niet verboden. Integendeel, Hij zoekt die hartelijke en vertrouwelijke omgang ook. Maar juist daarom legt de HERE ons soms het kruis van de worsteling op. Om onszelf te onderzoeken. Om ons leven te evalueren vanuit de eerlijke en ontmaskerende vraag of dat het hoogste goed voor ons is. “Leg maar stil je hand in Zijn handen” is een uitnodiging waar we het als christenen soms heel moeilijk mee kunnen hebben. Voor ons is vaak waar, wat er gezongen wordt: “volle verzeek’ring, Jezus is mijn – wat schenkt dat rust aan het volgzaam gemoed”. Maar daar gaat vaak een enorme innerlijke strijd aan vooraf. Het geloof is, zoals Luther al zei, een onrustig ding.

 

Laten we eerst vanuit artikel 16 letten op de troost dat het hier over gelovigen gaat. Het gaat niet om hen die God de rug hebben toegekeerd en in hun eigen dwaalwegen zijn opgegaan. Het gaat om de bidders, die ’s nachts onder tranen worstelen in het zoeken naar Gods nabijheid. Juist de tobbers onder ons, de vechters en de zoekers, de vermoeiden, de strijders en jagers hebben er last van. Let even op het slot van artikel 16: “maar deze leer is wel degelijk schrikaanjagend voor hen die met God en Christus de Verlosser geen rekening houden, opgaan in de zorgen van de wereld en zich laten beheersen door hun zondige begeerten”. Er is dus sprake van twee groepen mensen. Er zijn er, die zorgeloos leven en niet verlangen naar een leven in de liefde van en tot God. Er zijn er ook, die zo kunnen verlangen naar een blijk van Gods liefde en genade. Over hen heeft artikel 16 het. En dat geeft troost. Want het zoeken en jagen is een teken, dat we gegrepen zijn. Het hart zou niet onrustig worden, wanneer de Geest van Christus niet onrustig maakt. Onze geest zou niet geprikkeld raken, wanneer de HERE door en met het Woord ons niet aanspoort. Wie worstelt is nog niet verworpen. Integendeel. Het geloof in een onrustig ding. Gods gave brengt in beweging!

Onrustig geloof – oorzaak (2)

 

“Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven.” (Mt. 12: 20)

 

In ons eigen hart missen we vaak vastigheid en zekerheid. De zelfbeproeving maakt, dat we ons als kinderen van God beschaamd weten tegenover de Vader. Wat brengen we van de liefde voor Hem terecht en hoe leven we ons leven voor Hem? Als we ons bewust ervan zijn, dat Hij elke stap ziet en elke overlegging kent dan kunnen we het komend oordeel vrezen. Juist de gelovige wordt onrustig als hij aan deze dingen denkt. Dan worden namelijk zowel verkiezing als verwerping werkelijkheid en dan wordt het oordeel realiteit. Door het geloof leer je beamen dat God de zonde straft en de zondaar niet voor onschuldig houdt. Kortom, het evangelie maakt dat een mens het niet in zichzelf zoekt, want het innerlijk komt open te liggen als het innerlijk van een opstandeling. Daar ligt de redding niet en daar komt de verlossing niet vandaan. Die ligt buiten de mens. Maar als je iets graag wilt hebben terwijl het niet in je macht ligt om het te grijpen of te krijgen, word je dan op den duur niet wanhopig?

Daarover gaat artikel 16 van DL I. Over mensen als u en ik, die perioden in ons leven kunnen hebben dat het verlangen er wel is, maar de praktijk de beleving in de weg staat. Dat kan allerlei oorzaken hebben. Psychische moeiten kunnen dat veroorzaken. Maar het kan ook zijn, dat we trots geworden zijn. Het kan zijn, dat een bepaalde levensstijl in de weg staat. Het kan zijn, dat de HERE ons beproeft. Ofwel, allerlei redenen kunnen ervoor zorgen dat het geloof niet zo levend is als we graag zouden willen en soms wel bij anderen zien stralen. Zijn we dan verworpen? Horen we er niet bij? Blijven we in het oordeel straks achter en horen we misschien bij de categorie van hen tegen wie Christus zal zeggen: Ik ken u niet, ga weg van Mij? Die schrik kan ons om het hart slaan en ons geestelijk soms diep neerdrukken.

 

Dat is dus nog iets anders dan dat je zonden je verdrietig maken. Want dat verdriet heb je en voel je in de relatie met God. Maar er is soms ook een wanhoop dat zelfs die relatie er niet is. Dat God niets van je weten wil en je plaats in het eeuwig verderf zal zijn. Voor die gelovigen is de troost van Mattheüs 12, dat terecht door artikel 16 wordt aangehaald en geciteerd. Het zijn zwakke gelovigen, die zomaar mismoedig kunnen worden. Die ernstig verlangen naar bekering – maar het gevoel hebben dat het van hen afglijdt. Gelovigen, die haken naar vervulling en bekering. Gelovigen, die soms eerst een tijd van geestelijke groei hebben doorgemaakt en de vreugde hebben geproefd van Gods nabijheid. Gelovigen die hun dankbaarheid willen uiten, maar tekort schieten en daar verdriet van hebben. En er is maar één middel dat daarbij helpen kan: de middelen gebruiken die God gegeven heeft. Niet dus het gebed gaan verwaarlozen, “omdat je er toch niets bij voelt”. Niet de bijbel dicht laten omdat het “je niet raken kan”. Maar in eerbiedige verwachting je klein en geduldig opstellen totdat het de HERE behaagt naar je toe te komen. Hij zal Zijn kinderen op Zijn tijd verzekeren en bevestigen. Naar Zijn belofte. Want Hij zal het geknakte niet breken en de walmende vlaspit niet doven. Dat doet Hij om Christus’ wil niet. “Op zijn naam zullen de heidenen hopen” staat er in Mt. 12 vers 21. Daar hopen we de volgende keer nog wat dieper op in te gaan.

Onrustig geloof – oorzaak (3)

 

“Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven.” (Mt. 12: 20)

 

De vorige keer heb ik iets mogen schrijven van de geloofsworsteling die we kunnen hebben, wanneer we denken aan het oordeel en aan Gods toorn en straf. In onszelf vinden we de vastigheid van het geloof niet. Wij liggen midden in de dood, zoals het avondmaalsformulier zegt. Het leven en de zekerheid van het leven vinden we alleen in Christus.

Over Hem gaat het in Jesaja 42, dat in Mattheüs 12 geciteerd wordt. Hij zal het geknakte riet niet breken en de walmende vlaspit niet uitdoven. Laten we goed lezen. Er staat niet, dat Hij het geknakte riet zal oprichten en de walmende vlaspit tot een helder licht zal maken. Er staat, dat Hij niet zal knakken en niet zal uitdoven. Wat betekent dat? Dat wil zeggen, dat de gelovige in al zijn aanvechtingen allereerst zal moeten aanvaarden dat het geloof, zoals Luther al zei, een ‘lastig ding’ is. Want het geweten blijft aanklagen en de ware bekering blijft het afsterven kennen. Dat is het geknakte en het walmende. In de ons bekende taal kunnen we spreken van de ‘verslagen en bezwaarde’ harten van de avondmaalgangers. We komen niet aan tafel om “daarmee te kennen te geven dat we in onszelf volmaakt en rechtvaardig zijn. Integendeel!”.

De tekst uit Mattheüs 12 heeft daarmee de klank van wat de Here Jezus zegt over het samen opgroeien van tarwe en onkruid. Het is de tijd voor de oogst nog niet. Althans, niet van de volle oogst. Eerst worden de schalen van Gods toorn uitgegoten, de plagen zoals die beschreven zijn in het boek Openbaring. Dan pas is er het einde en breekt de eeuwigheid aan, waarin de zonde en de wanhoop, de vertwijfeling en de onzekerheid plaats maken voor de volmaaktheid.

Intussen grijpen we daarom dringend de Here Jezus aan en vast. De ogen van het geloof zien op Jezus, die de dood heeft overwonnen en met Zijn bloed mij vrijgekocht heeft. Het geloofsoog hecht zich vast aan de heerlijke gestalte van de Zoon, die met Zijn blik ons gadeslaat. Zijn ogen zijn een vuurvlam, zegt Openbaring. Maar Zijn ogen staan ook vol ontferming en vertroosting. Het zijn ogen die beschaamd en klein maken, als we onszelf zien worstelen en uitglijden. Het zijn ook mogen die hoop geven, als Hij zijn handen uitstrekt en ons aan boord helpt. “Waar was uw geloof” zegt Hij. En bij Hem kunnen we ons dat dan ook eigenlijk niet meer voorstellen. Want het is veilig en goed aan het hart van de Heiland.

 

Let erop, dat de Dordtse Leerregels ‘onderscheidenlijk’ wordt gesproken. Er zijn er, die geloofsmoeiten kennen. Er zijn er ook, die vanwege hun geloof sterk verlangen naar bekering. Er zijn geknakte rietstengels en er blijven walmende vlaspitten. Er is verschil, ook onderling. En toch is er één gemeenschappelijk verlangen, namelijk dat Christus steeds meer woning maakt in ons hart. Want de zekerheid en de redding, de groei en de volkomenheid blijven als weldaden van Christus van Hem komen. Alleen bij Jezus houdt mijn hart op met onrustig zijn. Daar worden verlangens vervuld. Het geloof is een onrustig ding, zei Luther. En Augustinus zei: mijn hart is onrustig in mij, totdat het rust vindt in U!

Onrustig geloof – middel (1)

 

Jezus zei tegen hem: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Joh. 14: 6)

 

We leven in een wereld waarin we hebben leren omgaan met een heleboel zekerheden. Voordat wij in de vakantie uitvaren bijvoorbeeld, kijken we bij wat minder weer even op weeronline of buienradar. Dan weet je zeker dat je halverwege een meer niet in slecht weer terecht komt. Leerlingen kijken voor ze naar school gaan op de website of er een roosterwijziging is en ze toch nog even later naar school kunnen. De routeplanners geven tot op de minuut aan wanneer we op de plek van bestemming zijn en ga zo maar door. Ons hele leven wordt ‘geregeerd’ door allerlei hulpmiddelen die ons bestaan helpen vergemakkelijken en zekerheid geven. In zo’n wereld valt het nog minder dan vroeger mee, om ergens onzeker over te zijn. Om je falen toe te geven, de route niet te kennen, je zoeken en tasten niet om te kunnen zetten in blijvende zekerheid.

Zo kunnen ook preken, waarin we op onze zonden en schuld voor God gewezen worden, ons onrustig maken. We krijgen liever te horen dat het goed zit en we alle moeite hebben genomen om onbezorgd de toekomst tegemoet te zien, dan dat we worden opgeroepen te geloven en de hoop vast te houden. We zien ons paspoort liever getekend en afgestempeld met als visum een vaste verblijfplaats in het koninkrijk. En het liefst het huisnummer van de straat in Jeruzalem, waar we komen te wonen.

Nu is die zekerheid er ook wel. Maar die ligt buiten ons in het verzoenend Middelaarswerk van Jezus Christus. Onze zekerheid is Jezus. Niet mijn zekerheid, niet mijn enthousiasme, niet het getal van de gemeenteleden om me heen, niet een prediker of zijn woordkeus. Maar Christus die tot mij spreekt en mij door zijn heilige Geest aan al Zijn weldaden deel geeft. Het is de woordverkondiging zelf, het zijn de Schriften – die zachtjes gezongen Psalm in de stilte van de nacht of die oproep in de verkondiging die mijn hart en leven plotseling wakker maakt. Het is het open bijbeltje onder zoekende ogen en in onrustige handen die zich vouwen om te bidden. Om dat onrustig hart en die angstige worsteling neer te leggen bij de Man met die doorboorde handen. De Koning van hemel en aarde. Jezus Christus.

 

De middelen van de Geest zijn Woord en sacrament. Zo werkt Hij geloof. Zo versterkt Hij de blik op Jezus Christus en houdt Hij de hoop levend. Kinderen van God moeten steeds weer (leren) leven van de belofte. Dat is ook herkenbaar, denk ik. Want ik nogal eens dat er wordt uitgekeken naar de zondag. Ik hoor ook veel, dat (jonge!) mensen door de week heen preken luisteren, omdat ze dat nodig hebben. Om staande te blijven en zich steeds weer te herinneren van Wie ze zijn, voor Wie ze leven en naar Wie ze onderweg zijn. Ik hoor van jongeren die ernaar verlangen om belijdenis te doen en zo toegang tot het heilig Avondmaal te krijgen. Omdat ze willen voelen, willen aanraken en willen deelnemen. Je zou het dus ook anders kunnen zeggen. Waar in de wereld bijna alle tijd opgaat aan de hoeveelheid middelen die zekerheid moeten verschaffen, richt de christen zich wat het eeuwig leven betreft maar op één Weg en één Waarheid en één Leven: Jezus Christus. Zo eenvoudig: kijk maar naar Mij, dan kom je nooit bedrogen uit.

Onrustig geloof – middel (2)

 

Jezus zei tegen hem: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” (Joh. 14: 6)

 

 

Er is maar één Weg te gaan in alle onzekerheid en die Weg heet Jezus Christus. Wat betekent dat nu in de praktijk? Kunnen we de Here Jezus volgen op het gevoel af? Geen sprake van. Ook niet op grond van het door de Heilige Geest verlichte verstand, zoals in de nieuwe benadering van de hermeneutiek vandaag wel wordt gezegd. Ik kan Gods weg niet zelf vinden of met behulp van de bijstand van de Geest. Er is ook geen weg en geen middel los en buiten het Woord, wat ons aangaat. Dat de HERE ook buiten Zijn Woord om mensen kan aanspreken en overtuigen zal waar zijn. God is niet gebonden aan de middelen die Hij ons geeft. Hij mag ook niet opgesloten worden in onze denkkaders. Maar Hij geeft ons het evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd.

Er is alle eeuwen door geprobeerd om het mensbeeld zo positief mogelijk op te richten. We kennen de eeuw van de Verlichting. En we hebben weet van het Arminianisme, dat de vrije wil veronderstelt. Daar komt tegenwoordig bij: het voorzienigheidsgeloof. Dat is de gedachte, dat ik uit wat God in de tijd en de cultuur doet Zijn wil voor vandaag kan aflezen, omdat mijn verstand door de Geest verlicht is. En van daaruit komt het tot allerlei willekeurige standpunten over de ambten, de (homo)seksualiteit, de echtscheiding en ga zo maar door. Dat is een loochening van de zonde en daardoor ook een verwerping van Gods Woord, als de absolute norm voor al ons handelen. We moeten er kennelijk “doorheen” lezen. Omdat de trotse mens niet toe wil geven dat hij er niet “doorheen” kan kijken.

Waar niet doorheen? Door zijn eigen onvermogen en verblinde ogen. De Schrift is het venster dat ons helder zicht op Jezus Christus geeft. Op Zijn geboden en op wat bij God gerechtigheid mag heten. In feite doet het voorzienigheidsgeloof, of het glas van de bijbel nog schoongeveegd moet worden, voordat we zicht krijgen. Nota bene: het door God gegeven venster is ons niet schoon en helder genoeg! Daar zit ook onze eigen moeite vaak, als het om zonden gaat. We maken er zelf niet zo’n punt van en achten ons gedrag alleszins acceptabel en fatsoenlijk. Terwijl de HERE zegt dat we verloren zondaren zijn, die de wet niet doen. Dan helpt het soms in je hoogmoed overeind te blijven, door te zeggen dat Gods Woord zo weinig helder is. Om het maar van je af te houden.

De Schrift geeft je zicht op het kruis. Op de troon ook. Hoog in de het centrum van de hemel. Waar de HERE Koning is. De Schrift geeft je van daaruit kennis van jezelf. Om je als Job tot zwijgen te brengen. En je als Paulus naar de uitroep toe te drijven: ik ellendig mens! De Schrift bewaart je ervoor om het in jezelf te zoeken. Om afhankelijk te worden van geleerde theologen die het pad wel zullen aanwijzen. Of je levensstijl in te richten op aanwijzing van een door de Geest verlichte gemeente. Men noemt dat de theologia gloriae. Maar het is de theologie van de ondergang. Want God en Zijn reddende middelen zijn aan de kant geschoven om plaats te maken voor een andere weg.

 

De Dordtse Leeregels gaan in tegen de vijf artikelen van de Remonstranten. Ze zouden evengoed geschreven kunnen zijn tegen het voorzienigheidsgeloof. Het blijft rijk om te graven in de schatten van Christus’ bruid!

Onrustig geloof – troost

 

“Daarom schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt.” (Hebr. 11: 16)

 

Het geloof kan, zoals Luther zegt, wel een onrustig ding zijn. Maar het richt zich op en steunt op de Vaste Rots van ons behoud. Laten we ook wat dit betreft het verschil in levensstijl en levensverwachting tussen de gelovige en ongelovige voor ogen houden. De ongelovige, die zorgeloos langs God heen leeft en ogenschijnlijk niet wordt opgeschrikt door wat de gelovige als tekenen der tijden mag herkennen, die heeft wat te vrezen. Wie de onrust die het geloof in het geweten en leven kan bewerken nooit voelt, wordt niet naar Jezus Christus toe gedreven. Anders gezegd: juist als je in het leven uit geloof zoveel geconfronteerd wordt met je eigen falen en feilen en je zoekt het aangezicht van de HERE in gebed en levensheiliging, is dat een vrucht van het werk van de Heilige Geest in de christen. Als we worstelen met vragen over de kracht van ons geloof, als we ons onwaardig weten en vechten tegen de overblijvende zwakheid. Als we beseffen dat ons geloof niet volkomen is. Als de dagelijkse strijd tegen de zonde ons hart in beweging brengt. Als we aangevochten worden en de satanische fluistering ons naar de wereld wil trekken en we zoeken in dat alles Jezus Christus.

Dan mag de christen zeggen: ik word aangevallen en in een hoek gedrukt, ik word in benauwdheid gebracht en op mijn zonden gewezen, ik word in aangevochten en in verwarring gebracht, maar.. maar ik ben een aangevochten kind van God. Ik ben een verdrukt kind van Hem. Ik verlang naar Hem en ik heb ontzag voor Hem. HERE, houd mij vast want ik ben een hulpeloos zwak zondaar. Ik heb niets, maar U kunt alles.

Juist wanneer de christen leert zeggen dat hij als bedelaar leeft van wat God in Zijn genade geven wil, leert hij ook belijden dat het koninkrijk en het leven in eeuwigheid in handen is van een almachtig God, die om Christus’ wil ook mijn God en mijn Vader wil zijn. Die de wind tot rust en de golven tot bedaren brengt. Die boven het rumoer van de volken staat. Die de Satan heeft gebonden en de dood en de hel heeft overwonnen. Het leven is in handen van Hem, die Zijn leven heeft gegeven en alles nieuw zal maken. Tot die dag zal Hij bij ons zijn om ons te beschermen, te bewaren, te bevestigen en te volmaken. De selectie hangt niet van mijn conditie af, maar van Zijn wil en majesteit.

 

De troost is, dat de krans al klaar ligt en de stad bereid is. De tafel is gedekt en alles staat klaar voor de bruiloft van het Lam. En wie zijn genodigd? De tobbers, de lammen en de blinden, de bedelaars, de vechters en vermoeiden, de zoekers en de jagers. Zij mogen komen om aan te zitten en maaltijd te houden met de Vorst van de vrede. Om blij te zijn en Hem de eer te geven. Nu al. Want het geloof is een onrustig ding, maar het vindt zijn rust en zal eenmaal volmaakt rusten in God zelf.

Geboren voor de hemel – verzekering (1)

 

“Maar toen Jezus dat zag, nam hij het hun zeer kwalijk” (Mc. 10: 14)

 

 

Hoe komen we erbij om het thema van artikel 17 zo te formuleren: geboren voor de hemel? Is er dan toch sprake van wat wel het “verbondsautomatisme” wordt genoemd? Zijn de kinderen van de gelovigen al bij voorbaat zalig en hoeven gelovige ouders zich daar dus geen zorgen over te maken? Is er inderdaad sprake van een zekerheid, die door geen zonde meer kan worden afgebroken en wordt de christen alleen gevraagd schuld te belijden over de zonden die hij dagelijks doet, zonder dat zijn eeuwige redding daarmee gemoeid is?

We hopen de komende tijd daar wat meer duidelijkheid in te krijgen, nu we ons bezig mogen houden met de plaats van de kinderen in de gemeente. Die plaats hebben ze rechtens en krachtens de verbondsbepalingen van de HERE. Zo belijden we dat met Zondag 27 toch ook mee: dat de kinderen der gelovigen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en Zijn gemeente horen. En dat ook aan hen evenals de volwassenen, door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd worden. Zo komen ze in de wieg te liggen. Geboren voor de hemel, krachtens de uitdrukkelijke belofte van de HERE Zelf. En wanneer zij op latere leeftijd dat verbond breken en de belofte verachten dan is ook aan niemand anders dan aan henzelf de volle schuld daarvan toe te rekenen. Want Gods beloften zijn waar. God laat niet dopen op grond van een verondersteld en toekomstig geloof. De HERE bindt zich niet aan kinderen op voorhand, omdat Hij wel ziet dat ze later geloven zullen. Nee, de HERE verbindt zich op grond van Zijn verbond met de gelovige ouders ook aan de kinderen. Wanneer we dan ook zeggen, dat de kleine kinderen geboren worden voor de hemel, is dat vanwege wat de HERE beloofd. Het wordt hun vanaf het allereerste begin al toegezegd, dat ze welkom zijn bij God. Daar begint het. Daar ligt de oorsprong voor de vreugde over het eeuwige leven. Bij de Levensbron Zelf. En bij het Woord van de Getrouwe. En nergens anders.

 

Machtig is dat, dat in de kring van de gemeente de kinderen helemaal zijn opgenomen. Zij zijn geen randleden, geen toekomstige leden, geen ‘potentieel’, maar ze horen erbij. Achter de tafel met avondmaalgangers zit de rest van de gemeente, die samen met de belijdende leden de volle gemeenschap der kerk uitmaakt. Eén lichaam en één volk. Zoals er ook maar één HERE is. Ze horen erbij, de kleinen net zo goed als de groten. De jongeren net zo goed als de ouderen. ’t Verbond met Abraham Zijn vrind bevestigt Hij van kind tot kind (Psalm 105: 5). Want het heeft God behaagd ook aan hen de belofte te geven (Hnd. 2: 39), dat Hij hun God wil zijn. Hij schaamt zich daarvoor niet (Hebr. 11: 17). Want Hij heeft hun een stad bereid. Daarboven juicht een grote schaar van kind’ren voor Gods troon! Het is een feest om zo de kinderen vertrouwd te maken met de HERE. Om van Hem te vertellen en samen met hen in Zijn huis te luisteren. Om als volk aan te treden: zie de kinderen, die U mij gegeven hebt. Om met elkaar de namen in Zijn handen te leggen. Om gezin te zijn. Thuis, bij God aan tafel. Verhinder hen niet, zegt de Here Jezus zelf. Want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

 Geboren voor de hemel – verzekering (2)

 

“Maar toen Jezus dat zag, nam hij het hun zeer kwalijk” (Mc. 10: 14)

 

 

Artikel 17 komt niet zomaar op, zo hebben we gezien. Het is niet een verdwaald artikel voor rouwende ouders in een tijd dat de kindersterfte groot was. Het is ook niet de weerslag van een theologische discussie voor fijnproevers van de dogmatiek. Maar het ligt in de lijn van wie de HERE is en waar de HERE naartoe werkt. Heel het volk, de kleinen en de groten, wordt door Hem vergaderd op grond van Zijn belofte. “Wij mogen bouwen op de vaste grond van Uw beloften en van Uw verbond” (Ps. 90: 1, ber.)!

De noodzaak voor de belijdenis van artikel 17 komt van de kant van de Remonstranten. Zij wezen namelijk op de kleine kinderen die jong stierven. En ze stelden de vraag: wat gebeurt er dan met hen? Want als je maar moet afwachten of je verkoren bent en de vrucht van die verkiezing is de wedergeboorte, die van God gegeven wordt, dan weet je dus niet waar zij zijn. Volgens de Remonstranten konden gereformeerden moeilijk zingen: “daarboven juicht een grote schaar van kinderen voor Gods troon”, omdat Gereformeerden belijden dat de verkiezing op grond van Gods welbehagen plaatsvindt, en niet op grond van de vrije wil en vooruitgezien geloof.

Ja, en toen speelde het sterftecijfer wel een rol en dreigde er wel verdriet te ontstaan bij ouders die hun kinderen jong naar het graf moesten dragen. De troost bij de open grafjes viel weg. En erger nog: het raakte het beeld dat we van de HERE mogen hebben. Heel scherp komt dat naar voren in een bekend gedicht van Joost van den Vondel, die vooral de Remonstranten steunde: “God rukt de onnozelheid van moeders borsten af; en smakt ze in ’t eeuwig vuur. O poel, o open graf!” In deze verzen wordt God opzettelijk voorgesteld als een wrede en onbarmhartige God. Want ook Joost van den Vondel vond, dat de Gereformeerden met hun belijdenis van de uitverkiezing zo’n God “overhielden”. U kunt dat lezen in het slotwoord van de Dordtse Leerregels waarin duidelijk staat verwoord hoe de Remonstranten over de bijbelse leer van de uitverkiezing dachten: “veel onschuldige kinderen van de gelovigen rukt God van de moederborst weg en werpt ze als tiran in het helse vuur, zonder dat het bloed van Christus, de doop of het gebed van de kerk bij de doop hen kan helpen.” Het gaat hierbij dus echt om een zaak van leven of dood!

Maar nu begrijpen we ook de eerste zin van artikel 17: “over de wil van god kunnen wij ons alleen uitspreken op grond van Zijn eigen Woord.” Dat is geen verlegenheid. Dat is een vlucht naar de vaste en zekere, blijvende waarheid voor alle eeuwen en alle geslachten. Nu het erop aankomt, mogen we niet meer afhankelijk zijn van menselijke redeneringen en leringen. Want het gaat om grote levensvragen als: wie is de HERE en: waar zijn de jonggestorven kinderen?

Dat is ook het hart van de vragen over de kinderdoop. Tegenwoordig wordt er nog wel eens beweerd dat “vroegdoop” of “volwassendoop” beide te verdedigen zou zijn. Maar wie dat beweert, heeft de zegen van de kinderdoop en de diepe genade van de HERE niet verstaan. Dáár gaat het over als we belijden dat de kinderen “behoren” gedoopt te zijn en dat zij “evenals de volwassenen horen bij Gods verbond en Zijn gemeente.”

 

Daarover de volgende keer verder, DV.

Geboren voor de hemel – verzekering (3)

 

“Maar toen Jezus dat zag, nam hij het hun zeer kwalijk” (Mc. 10: 14)

 

 

De vorige keer hebben we mogen zien hoe de vlucht van de Dordtse Synode naar het zekere en blijvende Woord van God een vaste troost mag bieden. Laten we uit dat woord van de HERE het tekstbewijs onder artikel 17 van het eerste hoofdstuk nog eens nader bezien. Oorspronkelijk werden er drie teksten genoemd. Bij de laatste herziening is ook Jesaja 59 toegevoegd.

In Genesis 17 vers 7 sluit de HERE het verbond met Abraham en zijn nageslacht. Heel het volk uit Abram gesproten mag van Gods gunst genieten. De ouderen en de jongeren, de kleinen en de groten, de kinderen en de volwassenen. Niemand uitgezonderd. Wat een genade: heel de kerk wordt als volk afgezonderd van de wereld en apart gezet en onderscheiden van de ongelovigen. Het is een bijzonder moment. In en met Abraham verklaart de HERE weer met de mens samen te willen wonen en in hun midden te willen zijn.

Ook wanneer er een tijd komt dat de ouderen de kinderen niet meer voorgaan en het volk van de HERE afdwaalt, blijft de belofte staan. Dat vinden we in Jesaja 59 vers 21. God laat Zijn doel en Zijn plan niet los. Hij gaat een volk formeren dat in staat is Zijn lof te verkondigen. Een volk. Dat wil zeggen: een gemeenschap waarin alle leeftijden en standen hun plaats hebben, met God als Koning.

In Handelingen 2 vers 39 herhaalt Petrus die belofte als de mensen erachter komen dat ze nota bene de Zoon van God gekruisigd hebben. De gemeente mag Gods grote daden verkondigen. Ook uit kindermond, naar wat we mogen leren van psalm 8; 78; 87; 105 en 111. In de kring der oprechten, de vergadering van de gelovigen zijn de kinderen begrepen. Zo groeit die schare die niemand tellen kan nu als het nageslacht van Abraham, wiens zegen ook aan de volken toekomt. In en met hem zijn alle geslachten der aarde gezegend (Gal. 3).

Hoe krachtig dat is, lezen we terug in 1 Korinthiërs 7 vers 14. Als er twee machten in één huis zijn, is de macht van het geloof de ‘hogere’. Want een kind is heilig in zijn vader of zijn moeder, ook als één van beiden niet tot de kring van het verbond en Gods gemeente hoort. Zo verzamelt de HERE zijn gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is (HC Zondag 21 en Zondag 27). Met de kinderen mee, bindt God zich aan Zijn verbondsvolk onder de eis, dat ze die kinderen zullen vertellen Wie hun God is.

 

Daarom bestraft de Here Jezus zijn discipelen ook zo scherp als ze de ouders verhinderen hun kinderen naar Jezus te brengen. Daar horen ze thuis. Daar wordt hun leven opgebouwd, aan de voeten van de Goede Herder. Zo moet het huwelijk dat liefdesleven tussen Christus en Zijn gemeente ook weerspiegelen. Zo mogen kinderen uit de omgang tussen vader en moeder en uit de verhalen die ze te horen krijgen zien en horen wat hun doop betekent: God wil erbij zijn! De Here Jezus legt Zijn hand en op hen. Hij zegent hen en heet hen welkom. Want evenals aan de volwassenen wordt de kleintjes de vergeving van zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd. En zouden wij dat de kinderen willen onthouden? Moeten ze die vaste troost missen? Zou dat van geloof afhangen en niet van God, die zowel het willen als het werken in ons werkt?

Geboren voor de hemel – belijdenis (1)

 

En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de HERE: Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de HERE, van nu aan tot in eeuwigheid.” (Jes. 59: 21)

 

“Christus heeft zijn bloed even zeker vergoten om de kleine kinderen van de gelovigen te wassen, als Hij dat gedaan heeft voor de volwassenen” zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 34. Heel krachtig wordt daar de dwaling van het doperdom weerlegd, dat de doop tot een teken en zegel van het geloof maakt. Het is een teken en zegel van het verbond, waarin ook de kleintjes zijn opgenomen. Dat mag troosten wanneer de HERE een kindje jong wegroept uit het leven, of dat Hij voor de geboorte tot Zich neemt.

En de uitverkiezing dan? Want er zijn tweeërlei kinderen van het verbond. Er zijn gedoopte kinderen die later belijdenis doen en levende leden van de gemeente blijken. Er zijn er ook, die de HERE de rug toekeren. Mag je daarom belijden dat jonggestorven kinderen van gelovige ouders in de hemel zijn, of moet je dat veronderstellen en mag je dat hopen? Dat mag je belijden met een vaste zekerheid. Bij het open graf van de kleine kinderen der gelovigen komen verbond en verkiezing als een te ervaren openbaring van Godswege op je af. Zo spreken we de Schriften na, die deze vaste troost geven als het blijvende en zekere Woord van God zelf. Dat beamen ouders ook, wanneer ze bij de doopvont staan, dat “onze kinderen, hoewel zij in zonde ontvangen en geboren zijn, toch in Christus geheiligd zijn en daarom behoren gedoopt te zijn.” De ervaring dat op latere leeftijd keuzes gemaakt worden, mag niet boven het betrouwbare Woord van de HERE gesteld worden. We spreken vanuit de beloften die uit de hemel gegeven zijn!

 

Wat van jonggestorven kinderen dus een te ervaren openbaring is van Gods verkiezende liefde aan de kinderen, moet nog blijken wanneer de kinderen ouder mogen worden en zelfstandig keuzes gaan maken. Wanneer het over gedoopte jongeren gaat, mogen we de vastigheid van Gods Woord over de kinderen van de gelovigen niet zomaar toepassen. Want de HERE stelt in het onderhouden van het verbond, het tweezijdig voortbestaan van het verbondsleven, bij de doop al eisen. Hij vraagt om een nieuwe gehoorzaamheid, waar geloof en vurige liefde. Hij vraagt dat we met de wereld breken, onze oude natuur doden en Godvrezend leven. Ook dat hoort bij het betrouwbare Woord van de HERE, die de schuldige zeker niet voor onschuldig zal houden. En dan blijkt inderdaad dat er twee soorten verbondskinderen zijn. Of, zoals we dat zeggen, dat de brede bedding van het verbond een smalle stroom van de verkiezing te zien geeft. Niet allen uit Israël zijn Israël (Rom. 9: 6)! Er zijn er die God de rug toekeren en het verbond verbreken. Er zijn er ook, die door de genade Gods leren verstaan wat verlossing is. Dat vraagt wedergeboorte en bekering. Kortom, wat God belooft en wat een rijke troost mag zijn voor ouders die jonge kinderen naar een graf toe moeten brengen, mag niet automatisch worden doorgerekend naar jongeren toe. Op dit punt mag de eis tot een heilig leven voor de HERE de kinderen al jong worden geleerd. Ook daarom heeft de gedachte, dat kleine kinderen mogen worden verondersteld wedergeboren te zijn totdat het tegendeel blijkt, veel verwarring gezaaid en een valse hoop gegeven. Het zijn verbondskinderen en daarmee dragers van de beloften die God heeft gegeven. Maar die gave betekent bij het opgroeien ook een grote verantwoordelijkheid!

Geboren voor de hemel – belijdenis (2)

 

En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de HERE: Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de HERE, van nu aan tot in eeuwigheid.” (Jes. 59: 21)

 

 

In de Dordtse Leerregels krijgen we overduidelijk te horen, dat de beloften van de HERE niet afhankelijk zijn van het al of niet veronderstelde geloof van de kinderen. Die beloften zijn ook niet afhankelijk van het zwakke of sterke geloof van ouders. Er is geen enkele andere grond voor de doop, dan de wil en de liefde van God. En wat is dat een rijke troost!

Dat schuilt ook achter de “armoede” van de rijke jongeling uit Marcus 10.  Een man, die graag wilde horen wat hij moest ‘doen’ om het eeuwige leven te beërven. Christus – die hem lief krijgt – laat hem voelen dat hij niets kán doen. Dat hij daarom ook met niets bij Jezus Christus moet komen en als bedelaar achter Hem aan moet gaan. Dat hij alles alleen maar van Jezus Christus moet verwachten. Hij moet Jezus komen, zoals de ouders hun kinderen bij Jezus brachten om door Hem gezegend te worden. En daarop keerde die rijke jongeling terug. Bedroefd, omdat hij zo rijk was. Wat is dat schrijnend. Dat mensen zo rijk denken te zijn, dat droefheid hun leven gaat beheersen omdat ze met al hun middelen de ware schat niet kopen kunnen. Terwijl het water des levens om niet geschonken en verkregen wordt. Wij mogen als niets hebbend bij God alles bezitten. Dat is de dwaasheid van God, die wijzer dan de wijsheid van de wereld is.

Wat leren de kinderen van ons, als we spreken over geslaagd zijn in het leven en over kansen in de toekomst? Wat leren ze van ons, als ze ons observeren? Kinderen zien scherp en merken gauw waar volwassenen voor leven. Wat ze belangrijk vinden en waar ze waarde aan hechten. Het doet een kind wat, als tijdens een kerkdienst om stilte gemaand wordt en een aandachtige luisterhouding, omdat vader en/of moeder graag wil luisteren. De eigen deelname aan de eredienst is mee bepalend voor wat een kind leert van deelname aan de verkondiging. Eerbiedig en verlangend luisteren mag een voorbeeld voor hen zijn. Zó breng je de kinderen bij Jezus Christus. Net als een leven uit genade en het vertellen daarvan een onuitwisbare indruk mag achterlaten. In de hoop en het gebed, dat de kinderen mogen navolgen en het heil mogen vastgrijpen. Juist in moeite mogen ze veel leren, als zwakke ouders mogen voorleven dat ze alles alleen maar in Christus hebben. En geen andere grond onder hun voeten voelen dan de grond van Gods verkiezend welbehagen.

 

Een vaste grond. Een zekere liefde. Een verkiezing in eeuwigheid. Juist omdat ze in niets anders rust dan in de HERE zelf. Het is een geschenk van God zelf, dat de kerk dat in alle strijd heeft mogen vasthouden en belijden. Scherp heeft de HERE de kerk in de zeventiende eeuw laten zien en vastleggen dat er geen andere grond voor ouders en kinderen kan zijn, die vast en zeker is, dan deze. Niet de zogenaamde beschaving, niet de goede werken, niet een geloof op grond van de zogenaamde vrije wil, maar Gods liefde alleen is oorzaak voor ons heil in Jezus Christus. Hem alleen zij eer!

DOWNLOAD APP ANDROID

DOWNLOAD APP IOS

de muzikale omlijsting op deze site wordt gebruikt met toestemming van

Jan Mulder

Links:

 

Jan Mulder

Boekenstek

Kruislinks

Refoplaza

 

Wilt u hier ook adverteren?

Neem dan contact met ons op!